Verhoging pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar: sociale partners zijn aan zet

Verhoging pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar: sociale partners zijn aan zet

Laatst gewijzigd op 7 juli 2017

De Nederlandse bevolking wordt steeds ouder. Mensen krijgen dus ook steeds langer AOW en pensioen. Om dit betaalbaar te houden, worden de voorzieningen regelmatig aangepast. De meest recente aanpassingen zijn de verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar en 3 maanden vanaf 1 januari 2022 en de verhoging van de fiscale pensioenleeftijd naar 68 jaar vanaf 1 januari 2018.

Wat leest u in dit artikel?

In dit artikel leest u wat de consequenties van de veranderingen in de fiscale wetgeving zijn en wat het effect daarvan is op de pensioenregeling. Wat betekent het concreet, welke keuzes kunt u nog maken en hoe informeert u deelnemers zo goed mogelijk over wat dit voor hen betekent?

Overeenkomst sociale partners
De pensioentoezegging - dus ook de pensioenleeftijd - is een onderdeel van de afspraken tussen de sociale partners. De sociale partners moeten de wijziging van de pensioenleeftijd dus overeenkomen. Dit artikel geeft de keuzes weer die de sociale partners kunnen maken. Het pensioenfonds zal daarna de gewijzigde regeling in uitvoering nemen.

Pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar
Vanwege de stijging van de levensverwachting wordt met ingang van 1 januari 2018 de pensioenrichtleeftijd verhoogd naar 68 jaar. Bij een gelijkblijvende fiscale facilitering betekent dit dat het opbouwpercentage aangepast zal worden als de pensioenleeftijd niet gelijkloopt met de pensioenrichtleeftijd.

Voor de opbouwpercentages van middel- en eindloon gelden de onderstaande maximale opbouwpercentages bij de diverse pensioenleeftijden.

Pensioenleeftijd volgens pensioenregeling

Maximale opbouwpercentage ouderdomspensioen in een middelloonstelsel

Maximale opbouwpercentage ouderdomspensioen in een eindloonstelsel

68

1,875

1,657

67

1,738

1,535

66

1,614

1,426

65

1,502

1,327

64

1,400

1,237

63

1,307

1,155

62

1,222

1,080

61

1,145

1,011

60

1,073

0,949

Bron: www.belastingdienstpensioensite.nl

Bij een gelijkblijvende fiscale facilitering zal de pensioenleeftijd naar 68 jaar stijgen, met een maximaal opbouwpercentage van 1,875% bij een middelloonregeling (1,657% bij een eindloonregeling).

Binnen de fiscale grenzen kunnen de sociale partners zelf kiezen hoe zij invulling geven aan de verhoogde pensioenleeftijd voor de toekomstige opbouw. Wel geldt dat een lagere pensioenleeftijd in de pensioenregeling een lager opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen geeft.

Keuze voor toekomstige opbouw
Met de introductie van nieuwe fiscale maxima kunnen de sociale partners kiezen om de pensioenleeftijd in de pensioenregeling:

  • op 67 jaar te laten. Dat betekent een verlaging van het opbouwpercentage;
  • geleidelijk te verhogen en daarbij gelijk te lopen met de AOW-leeftijd. Dit betekent dat bij elke pensioenleeftijd een ander opbouwpercentage geldt;
  • op 68 jaar te stellen. Hiermee blijft het opbouwpercentage ongewijzigd.

Wanneer wordt gekozen voor een andere pensioenleeftijd, wordt een nieuw onderdeel in de pensioentijdlijn geïntroduceerd: een deel dat ingaat op een andere datum dan tot dan toe is opgebouwd.

Keuze voor reeds opgebouwd pensioen

Wanneer is gekozen voor het verhogen van de pensioenleeftijd kan een aanvullende keuze worden gemaakt voor het op dat moment reeds opgebouwde pensioen. Bij die keuze kan de oorspronkelijke pensioenleeftijd worden gehandhaafd. Of er wordt gekozen om dit om te rekenen naar de pensioenleeftijd die wordt gebruikt voor nieuwe pensioenopbouw. Deelnemers die pensioen hebben opgebouwd op basis van verschillende pensioenleeftijden zien dit terug in veel van de uitingen die zij ontvangen. Dit kan onoverzichtelijk worden: een verzameling van stukken pensioenopbouw waarvan de bedragen niet zonder meer bij elkaar kunnen worden opgeteld. Ook komen deze stukken op een ander moment tot uitkering waardoor deze deelnemers het pensioneringsproces meerdere keren moeten doorlopen. Behalve dat dit voor de deelnemer moeilijk te volgen is, lijkt dat ook voor de pensioenuitvoerder niet efficiënt.

  • Pensioen op oorspronkelijke leeftijden laten staan

Wanneer wordt besloten om de oorspronkelijke pensioenleeftijden aan te houden, dan moet hier ook in de uitvoering rekening mee worden gehouden. Dat betekent dat voor een aantal zaken verschillende sets naast elkaar moeten worden gehouden, elk gebaseerd op een eigen pensioenleeftijd. Te denken valt aan aangepaste tarieven, planners en lifecycles bij DC-regelingen.

  • Pensioenleeftijd laten meebewegen met de AOW-leeftijd

Dit lijkt een mooie oplossing. Het is immers makkelijk te communiceren. Toch zal de praktijk weerbarstiger zijn. Jaarlijks zal de premie aan de verhoging van de pensioenleeftijd moeten worden aangepast. Dat betekent dat er ook jaarlijks een aanpassing van het opbouwpercentage geldt. De fiscale pensioenleeftijd staat namelijk op 68 jaar en elke eerdere ingang zal een ander opbouwpercentage geven. Elk jaar zal de pensioenleeftijd namelijk wijzigen en moeten de pensioenaanspraken herrekend worden. Voor de uitvoering is dit een intensieve en kostbare oplossing.

  • Pensioen overbrengen naar de actuele pensioenleeftijd

In dat geval kan worden volstaan met tarieven, planners en lifecycles gebaseerd op de nieuwe pensioenleeftijd. De pensioenaanspraken worden hierbij omgerekend naar de nieuwe pensioenleeftijd. Dit zal actuarieel neutraal worden uitgevoerd. Als de deelnemer in de toekomst zijn aanspraken weer vervroegt, dan kan dit meer opleveren dan oorspronkelijk, maar ook minder. Verlies zal optreden als de marktrente flink is gestegen of de levensverwachting is gedaald.

Een aanpassing van de pensioenregeling aan de fiscale wetgeving met pensioenleeftijd 68 jaar heeft financiële consequenties voor de premievrije opbouw van arbeidsongeschikte deelnemers. De aanpassing van de pensioenregeling geldt namelijk voor actieve deelnemers en daarmee ook voor arbeidsongeschikten. De pensioenleeftijd voor actieven wordt verhoogd naar 68 jaar en de maximale pensioenopbouw blijft op 1,875% staan. Daarom zal voor arbeidsongeschikten de pensioenleeftijd eveneens naar 68 jaar gaan. Echter de pensioenopbouw duurt voort tot de AOW-leeftijd. Dat betekent dat het pensioen een jaar later ingaat en de opbouw drie maanden langer voortgezet wordt dan nu het geval is.

Je kunt je afvragen of hierbij de premievrije opbouw ook tot 68 jaar door zou moeten gaan, net zoals een actieve deelnemer tot 68 jaar pensioen opbouwt. De reden dat de opbouw stopt bij de AOW-leeftijd is dat op dat moment de WIA-uitkering stopt. De betreffende persoon is dan volgens de regels niet meer arbeidsongeschikt. Een arbeidsongeschikte deelnemer heeft dan net als een actieve deelnemer de keuze om het pensioen te vervroegen en gelijktijdig in te laten gaan met de AOW. Voor het tijdelijk partnerpensioen kan gelden dat deze langer moet worden uitgekeerd bij het verschuiven van de AOW-leeftijd. Dat hangt af van de reglementaire bepalingen omtrent deze pensioensoort.

Sociale partners naar zet
De sociale partners zijn aan zet. Het pensioenfonds moet daarbij zorgen dat de wijzigingen in uitvoering genomen worden en belangrijker: dat er duidelijk gecommuniceerd wordt over de gevolgen en nieuwe mogelijkheden.

Als de sociale partners niet voor het eind van 2017 een keuze hebben gemaakt, dan wordt het pensioenfonds geconfronteerd met een pensioenregeling die fiscaal niet zuiver is. Uiteraard mag het pensioenfonds deze regeling blijven uitvoeren, maar de werkgever zal geconfronteerd worden met extra kosten. Vanaf dat moment is er sprake van een fiscaal onzuivere regeling waarvan de kosten niet meer fiscaal aftrekbaar zijn. In dat geval kan het pensioenfonds in overleg met de werkgever besluiten om het opbouwpercentage aan te passen aan het geldende fiscale maximum.