Premiepensioeninstelling versus verzekeraar

Premiepensioeninstelling versus verzekeraar

Met de komst van de premiepensioeninstelling hebben verzekeraars er een concurrent bij gekregen. We brengen de verschillen voor u in kaart.

Het is alweer ruim een jaar geleden dat de premiepensioeninstelling (PPI) zijn intrede heeft gedaan in de Nederlandse pensioensector. Er zijn inmiddels acht uitvoerders die een vergunning voor de uitoefening van een PPI van DNB hebben gekregen.

Een PPI richt zich uitsluitend op de uitvoering van premieregelingen. Een PPI is daarmee vooral een geduchte concurrent van verzekeraars geworden, die tot voor kort de belangrijkste uitvoerders van premieregelingen in Nederland waren.

De belangrijkste verschillen tussen een PPI en een verzekeraar

Een PPI is interessant voor ondernemingen die al een premieregeling hebben of een premieregeling willen introduceren. Wat zijn, afgezien van de kosten en meer subjectieve zaken zoals kwaliteit en flexibiliteit, de belangrijkste verschillen tussen een PPI en een verzekeraar?

  • De toebedeling van sterftewinsten. In een PPI kunnen sterftewinsten volledig worden gedeeld met de nog in leven zijnde deelnemers. Binnen de rechtstreeks verzekerde premieregeling wordt deze 'technische winst’ niet of ten dele toebedeeld aan de nog in leven zijnde deelnemers. Ervan uitgaande dat de PPI het resultaat op sterfte ook daadwerkelijk volledig uitkeert aan de deelnemers, is een PPI in dit opzicht aantrekkelijker dan de verzekeraar.
  • De fiscale positie in relatie tot vermogensbeheer. De fiscale positie van een PPI wordt op één lijn gesteld met die van reguliere Nederlandse pensioenfondsen. Dit betekent dat een PPI, net als een pensioenfonds, een beroep kan doen op de voordelen van de internationale belastingverdragen, waaronder teruggaaf van dividendbelasting. Hierdoor kan een PPI waar mogelijk terugvorderbare dividendbelasting terugvorderen. Dit levert de deelnemers dus meer rendement op. Dit fiscale voordeel is niet voorbehouden aan verzekeraars.
  • Debiteurenrisico. Een PPI heeft vrijwel geen verplichtingen anders dan de vordering van de deelnemer op zijn pensioenkapitaal. Een PPI mag geen garanties geven of risico’s verzekeren, die samenhangen met bijvoorbeeld langleven, overlijden en arbeidsongeschiktheid. Doordat een verzekeraar aanzienlijk meer verplichtingen op zijn balans heeft staan, mag aangenomen worden dat de deelnemer in een PPI minder blootgesteld is aan het debiteurenrisico.

Voortschrijdend inzicht van de wetgever

Recent heeft de toezichthouder een consultatieronde gehouden om een aantal extra wettelijke verplichtingen voor een PPI in het leven te roepen. Het doel hiervan is om de rechten van de deelnemers (nog) beter te beschermen. De belangrijkste uitkomsten van het voorstel van de toezichthouder zijn:

  • Het eigen vermogen van een PPI wordt verhoogd. Ook wordt een zogenaamd toetsingsvermogen geïntroduceerd, als extra buffer voor bijvoorbeeld operationele en juridische risico’s.
  • De rangregeling om de rechten van de deelnemers te beschermen wordt aangepast. Dit heeft tot gevolg dat bijvoorbeeld juridische claims (om wat voor reden dan ook) uit het eigen vermogen van een PPI betaald moeten worden. Dit is anders dan bij pensioenfondsen, waarbij deze kosten veelal ten laste komen van het fondsvermogen.
  • Er zal geen verplichting komen om een pensioenbewaarder in te stellen; dit vanwege operationele en financiële bezwaren en het feit dat de gewijzigde rangregeling voldoende bescherming aan de deelnemers biedt. De pensioenbewaarder is overigens wel verplicht, indien een PPI regelingen buiten Nederland uitvoert.