Opvallende uitspraak rechtbank Limburg over omzetting opgebouwd pensioen naar hogere pensioenleeftijd

13 nov 2017

Leestijd 16 minuten

De rechtbank Limburg deed op 8 november een opvallende uitspraak in een zaak die was aangespannen door drie deelnemers tegen hun pensioenfonds. De kantonrechter verklaarde de (interne) waardeoverdracht nietig omdat niet voldaan was aan de in artikel 83 van de Pw gestelde voorwaarde dat de deelnemer hiertegen bezwaar kan maken. Het ging in deze zaak om de conversie van opgebouwd ouderdomspensioen met pensioenleeftijd 65 naar een pensioenleeftijd van 67 jaar.

Omzetten van opgebouwd pensioen naar een hogere pensioenleeftijd zou volgens een brief van voormalig staatssecretaris van SZW Klijnsma uit 2013, onder voorwaarden mogelijk moeten zijn zonder tussenkomst van de deelnemer. Dit wordt ook wel de “Klijnsma-route” genoemd.  De omzetting moet dan actuarieel neutraal gebeuren én de deelnemer moet de mogelijkheid hebben om het pensioen weer te vervroegen naar de oorspronkelijke pensioendatum. Als dat het geval is, en er worden op voorhand geen rechten aangetast als gevolg van de omzetting, dan is er volgens de brief geen sprake van een interne waardeoverdracht in de zin van artikel 83 Pw, waarvoor de bezwaarmogelijkheid geldt. De Nederlandsche Bank onderschreef deze opvatting van de staatssecretaris.

De casus
Bij de omzettingsoperatie in deze zaak werden naast de aanspraken op  ouderdomspensioen, ook de aanspraken op partner- en wezenpensioen meegenomen in de conversie. Dat betekende dat de verhoging die voor het ouderdomspensioen optrad als gevolg van de hogere pensioendatum, ook doorwerkte in het partner- en wezenpensioen. Het partner- en wezenpensioen bleven dus gebaseerd op hetzelfde percentage van het ouderdomspensioen. Door de hogere pensioenleeftijd werd het ouderdomspensioen opgehoogd en dus ook het partner- en wezenpensioen.

Die verhoging van het partner- en wezenpensioen werd gefinancierd door (de waarde van) het ouderdomspensioen te verlagen. Zou de deelnemer na de omzetting het ouderdomspensioen nu vervroegen naar de oorspronkelijke datum, dan zou het bedrag daardoor dus lager zijn dan het was voor de omzetting. En daar ging het in deze casus dus mis.

De kantonrechter verwoordt het als volgt:
Pensioenfonds Sabic heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat in de onderhavige situatie sprake is van een wijziging - verhoging - van de pensioenleeftijd met een collectief actuariële herrekening van de hoogte van het pensioen naar de nieuwe ingangsdatum, wat volgens de brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 januari 2013 (Kamerstukken I 2012/13, 33 290, N) geen vorm van waardeoverdracht is, omdat de aanspraken materieel niet wijzigen:

‘Bij het collectief actuarieel herrekenen van aanspraken naar een hogere pensioenrichtleeftijd wordt de omvang van de pensioenuitkering vanaf die nieuwe pensioenleeftijd hoger. Er is in zoverre derhalve geen sprake is van een aantasting van pensioenaanspraken. Het proces van waardeoverdracht en de instemming van individuele deelnemers, zoals dat geregeld is in de Pensioenwet, is dan ook niet aan de orde’.

De opvatting van de staatssecretaris is volgens Asser/Lutjens 7-XI 2016/793 houdbaar wanneer de wijziging van de pensioeningangsdatum niet als een wijziging van de pensioenovereenkomst en niet als een wijziging van opgebouwde aanspraken wordt gezien. Dit is zo te zien, aldus Asser/Lutjens, indien de werknemer het recht heeft de ingangsdatum van het pensioen te vervroegen (naar de oorspronkelijke leeftijd) en het nominale pensioenbedrag dan gelijk zal zijn aan het bedrag voor de verhoging van de pensioenleeftijd. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter in het onderhavige geval echter geen sprake. Pensioenfonds Sabic heeft immers aangegeven dat bij de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd naar 67 jaar het ouderdomspensioen omhoog gaat omdat er een kortere uitkeringsperiode resteert. Om de onderlinge verhouding tussen de waarde van het opgebouwde ouderdomspensioen, het nabestaandenpensioen en het wezenpensioen weer in balans te brengen wordt een stukje van de waarde van het opgebouwde ouderdomspensioen aangewend om de waarde van het nabestaandenpensioen en het wezenpensioen op te hogen. Actuarieel bezien zal de waarde van de totale aanspraken dus wel gelijk zijn, maar de aanspraken op ouderdomspensioen worden in dat geval wel aangetast wanneer de ingangsdatum van het pensioen weer wordt vervroegd naar 65 jaar. Dat kan op grond van artikel 83 PW alleen als de deelnemer hier geen bezwaar tegen maakt. De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat de vorderingen van [eisende partij 1] , [eisende partij 2] en [eisende partij 3] moeten worden toegewezen nu Pensioenfonds Sabic heeft gehandeld in strijd met artikel 83 PW.

Klijnsma-route exit?
Betekent dit nu in zijn algemeenheid dat de “Klijnsma-route” niet meer kan worden toegepast? Dat lijkt niet het geval. In deze specifieke casus waarbij direct bij de omzetting, en dus “op voorhand” al duidelijk is dat bij vervroeging niet hetzelfde nominale bedrag aan ouderdomspensioen wordt verkregen dan vóór de conversie, worden rechten aangetast en dat kan niet zonder bezwaarmogelijkheid.

Daar waar echter op het moment van omzetting duidelijk is dat vervroeging op datzelfde moment leidt tot hetzelfde pensioenbedrag, daar is naar onze mening geen sprake van aantasting van opgebouwde aanspraken en is – conform de brief van Klijnsma - ook geen sprake van een waardeoverdracht in de zin van artikel 83 Pw, waar een bezwaarmogelijkheid zou moeten gelden.

In de bewuste brief uit 2013 wordt dat als volgt verwoord:
Een pensioenuitvoerder kan besluiten tot collectieve herrekening naar een hogere pensioenleeftijd. Als die herrekening actuarieel neutraal plaatsvindt en het pensioenreglement erin voorziet dat betrokkene de pensioeningangsdatum individueel weer naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd terug kan zetten, zonder dat dit op voorhand de rechten aantast, dan biedt de Pensioenwet hiervoor de ruimte. Een aanpassing van de Pensioenwet is daarvoor niet noodzakelijk.

Kortom: de uitspraak van de kantonrechter ziet met name op de situatie waarbij het direct bij de omzetting al duidelijk is dat er bij vervroeging niet hetzelfde bedrag aan ouderdomspensioen wordt verkregen.

Wetsvoorstel
In het wetsvoorstel dat nu bij de Tweede Kamer ligt wordt geregeld dat er onder voorwaarden geen bezwaarmogelijkheid is bij omzetting van opgebouwd pensioen naar de fiscale pensioenrichtleeftijd. Maar - net als bij de Klijnsma-route - wel geldt dat als op het moment van het collectieve uitstel al bekend is dat vervroeging leidt tot een lager bedrag als vóór de omzetting, er sprake van aantasting van opgebouwde pensioenaanspraken. En dan geldt de bezwaarmogelijkheid.

Is dat niet zo - en leidt vervroeging op hetzelfde moment niet tot lagere aanspraken -  dan kan de omzetting - net als bij de Klijnsma-route - plaatsvinden zonder tussenkomst van de deelnemer. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zegt het als volgt:
Bepalend is of die verschillen vooraf (dus op het moment van collectief uitstel) bekend waren. Dit betekent dat veranderingen (tussen het moment van collectief uitstel en het moment van individuele vervroeging) in deze collectieve factoren niet leiden tot aantasting van pensioenaanspraken.

Conclusie
Onze conclusie is dat de uitspraak van de rechtbank Limburg met name ziet op de situatie waarin op het moment van de omzetting al duidelijk is dat de deelnemer bij vervoeging niet hetzelfde pensioenbedrag ontvangt. Dat is het geval als ook het partner- en wezenpensioen meegaan in de conversie en alleen het ouderdomspensioen meegaat in de zelfgekozen vervroeging.

Als dat niet zo is en worden geen aanspraken aangetast, omdat vervroeging van het ouderdomspensioen op hetzelfde moment leidt tot eenzelfde nominale pensioenbedrag, dan is conform de brief van Klijnsma, artikel 83 van de Pw niet van toepassing en geldt geen bezwaarmogelijkheid.