Spring naar inhoud
Mijn TKP

Het concept-Pensioenakkoord: gevolgen voor pensioenuitvoering

Datum
Auteur
870
Leestijd
8 minuten

Op 4 juni werd na jarenlang onderhandelen tussen kabinet en sociale partners het ‘Principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel’ gepresenteerd. Hierin kondigt minister Koolmees van SZW maatregelen aan die leiden tot een nieuw pensioencontract. De afschaffing van de doorsneesystematiek en de overgang naar een nieuwe vorm van pensioenopbouw betekent dat alle pensioencontracten moeten worden aangepast. We nemen u in vogelvlucht mee.

Ons huidige pensioenstelsel is door de gestegen levensverwachting, de veranderende arbeidsmarkt en ontwikkelingen op de financiële markten kwetsbaar gebleken. Pensioenen worden al jaren niet of nauwelijks geïndexeerd, nu rendement primair wordt gebruikt voor het aanvullen van buffers.

Een nieuw pensioencontract

Het kabinet neemt het SER-advies over de toekomst van het pensioenstelsel over. Een groot aantal elementen stond in de brief die Koolmees eerder dit jaar aan de Tweede Kamer stuurde.

Een meer neutrale vorm van pensioenopbouw: huidige doorsneesystematiek verdwijnt
De huidige combinatie van doorsneepremie en de voor alle deelnemers procentueel gelijke pensioenopbouw verdwijnt. De premie wordt leeftijdsonafhankelijk en de pensioenopbouw juist afhankelijk van de leeftijd van de deelnemer. Jongeren bouwen zo meer pensioen op dan gemiddeld (hun premie rendeert langer) en ouderen juist minder. Dit systeem zou beter passen bij de huidige arbeidsmarkt en minder nadelen bieden bij de overstap naar een andere bedrijfstak of naar het werken als zelfstandige. De directe relatie tussen premie en opbouw maakt ook vrijwillige deelneming door zelfstandigen in een pensioenfonds aantrekkelijker.

De gevolgen voor pensioenuitvoering
Wij hebben al een business analyse gedaan voor de gevolgen van de afschaffing van de doorsneesystematiek op onze systemen en processen, zodat u en wij goed voorbereid zijn op de gevolgen van deze ingrijpende wijziging. Een systeem van degressieve opbouw kunnen wij momenteel al op een goede manier uitvoeren.

Compensatie voor overgang naar andere pensioenopbouw
De overgang naar leeftijdsafhankelijke pensioenopbouw vermindert het pensioenperspectief voor werknemers die nu pensioen opbouwen. Daarbij komt de vraag op in hoeverre die deelnemers daarvoor compensatie moeten krijgen. De minister ziet het als zijn verantwoordelijkheid – samen met de sociale partners – om te voorkomen dat bepaalde groepen ‘onevenredig’ geraakt worden. De compensatie zal uit de fondsen zelf moeten komen. Dat zou mogelijk zijn doordat er, door de overgang naar een nieuw pensioencontract, op verschillende manieren vrijval van middelen plaatsvindt, zoals de bestaande buffers en de premievrijval uit de verhoging naar de pensioenleeftijd van 68 jaar. De regering zal de compensatie ook fiscaal faciliteren, zodat desgewenst extra pensioenpremie kan worden ingelegd. Werkgevers zullen een transitieplan moeten opstellen. De SER vindt het wenselijk dat de compensatie wordt toegekend in het jaar van overgang naar de nieuwe regeling.

De gevolgen voor pensioenuitvoering
Uit onze business analyse blijkt dat de compensatie potentieel de meeste complicaties met zich mee kan brengen. Als de compensatie in één keer wordt afgehandeld, dan is dat goed uitvoerbaar. Als de compensatie over meerdere jaren wordt afgewikkeld, dan zijn de uitvoeringsgevolgen groter.

Het nieuwe pensioencontract

Het ziet ernaar uit dat er in de toekomst gekozen moet worden uit twee pensioencontracten. In het eerste contract wordt in de opbouwfase een zogenaamd ‘persoonlijk pensioenvermogen’ opgebouwd. Voorafgaand aan de pensioeningang stroomt het vermogen van de deelnemer in een uitkeringscollectief, waarbinnen risico’s worden gedeeld. Bij deze vorm van de verbeterde premieregeling moeten waarborgen worden gesteld om de verplichtstelling te behouden. Deze valt of staat immers bij de vraag of de pensioenregeling al dan niet voldoende solidariteitskenmerken heeft. Het kabinet zal nog bezien of hiertoe een solidariteitspremie moet worden toegevoegd en of het langlevenrisico gerichter kan worden verdeeld.

In het tweede contract wordt met de leeftijdsonafhankelijke premie periodiek een pensioenaanspraak ingekocht. De hoogte is afhankelijk van de marktrente en naar verwachting wordt het inkooptarief per jaar vastgesteld. Ontwikkelingen in rendement, rente en levensverwachting hebben gespreid in de tijd invloed op de hoogte van pensioenaanspraken en -uitkeringen. Er wordt gedacht aan een spreidingsperiode van maximaal tien jaar. Het kabinet laat het aan de sociale partners over of deze ontwikkelingen ook gevolgen mogen hebben voor nieuwe deelnemers. Om de gevolgen hiervan te beperken mag de dekkingsgraad niet onder de 90% komen – en maximaal vijf jaar onder de 100%.

Onze reactie
Het tweede contract lijkt het meest aan te sluiten bij huidige bedrijfstakpensioenregelingen. De stap naar individueel beleggen lijkt voorlopig voor veel deelnemers en mogelijk ook voor besturen erg groot.

Behoud verplichtstelling
Het kabinet ziet het belang van het behoud van de verplichtstelling. Het beschouwt de huidige doorsneesystematiek slechts als één van de solidariteitselementen. Andere factoren zoals kansensolidariteit, solidariteit van actieven met inactieven, en die tussen mannen en vrouwen blijven behouden. Dat geldt ook voor de solidariteit op bedrijfstakniveau, lees: die tussen (de verschillende werknemersbestanden van) werkgevers. Het kabinet zal overleg voeren met de Europese Commissie over de houdbaarheid van de verplichtstelling.

Bestaande contracten
Uitgangspunt is dat alle bestaande pensioenovereenkomsten, dus ook de bestaande bedrijfstakregelingen, moeten worden aangepast aan een van de nieuwe pensioencontracten. De bal ligt hiervoor bij sociale partners.

Omzetten van bestaande aanspraken: invaren of niet?
Het kabinet zal het collectief invaren van bestaande aanspraken en rechten in een nieuw contract faciliteren. Omdat aannemelijk is dat de waardering van oude en nieuw op te bouwen aanspraken verschilt, zullen er plussen en minnen kunnen ontstaan. Het kabinet lijkt zich hiervan bewust en spreekt ook over de mogelijkheid om de bestaande aanspraken geleidelijk, op termijn, te laten samenvloeien met de onder het nieuwe contract opgebouwde aanspraken. Ook hier zijn de sociale partners aan zet.

Fiscaal kader
De maximale pensioenpremie wordt gebaseerd op de huidige ambitie voor (fiscaal maximale) pensioenopbouw. Omdat het pensioen dat kan worden ingekocht met een bepaalde premie, afhankelijk is van onder andere de marktrente, zal ook de fiscale ruimte meebewegen. De vraag is dan of de sociale partners de pensioenpremie daadwerkelijk laten meebewegen – de hoogte van de in te kopen pensioenen is dan leidraad – of dat zij kiezen voor een in beginsel vaste premie met als gevolg een van de marktrente afhankelijke opbouw. De fiscale begrenzing zal ook gaan gelden voor de derde pijler: het lijfrentesparen. 

Opname ineens
Bij pensioeningang mag elke deelnemer maximaal 10% van de waarde van zijn pensioen ineens laten uitkeren. Verder wordt onderzocht of andere keuzemogelijkheden, zoals het gebruik van pensioenpremies voor het aflossen van een hypotheek, mogelijk gemaakt kan worden.

Nabestaandenpensioen
Het streven is het nabestaandenpensioen meer te standaardiseren, zodat de overgang naar een werkgever met een andere pensioenregeling minder gevolgen heeft.

Kortingen in het zicht van het nieuwe pensioenstelsel

Een van de redenen om juist nu tot een nieuw pensioenakkoord te komen, is de korting van de pensioenen die bij een aantal grote fondsen dreigt. Hiervoor wordt de volgende overgangsregeling voorgesteld:

  • Fondsen hoeven niet te korten als de dekkingsgraad boven de 100% ligt, maar beneden MVEV-niveau.
  • Fondsen die al vijf jaar in onderdekking zitten en ‘ook aan het einde van het jaar een dekkingsgraad onder de 100% hebben’, zullen een onvoorwaardelijke korting moeten doorvoeren waardoor zij op de vereiste 100% uitkomen.

Onze reactie
Deze overgangsregeling roept vragen op, maar duidelijk is dat voor veel fondsen de verplichte korting vervalt. Daarnaast zal de korting voor enkele fondsen die al langere tijd onder de 100% zitten, aanzienlijk lager uitvallen.

Overige maatregelen

Enkele andere voorstellen raken pensioenfondsen minder direct:

AOW-leeftijd
De nu wettelijk vastgelegde stijging wordt getemporiseerd: in 2020 en 2021 blijft de AOW-leeftijd net als nu 66 jaar en 4 maanden. In 2022 wordt deze 66 jaar en 7 maanden en in 2023 66 jaar en 10 maanden. Daarna stijgt deze in 2024 naar 67 jaar en vervolgens afhankelijk van de stijging van de levensverwachting met 8 maanden per extra te verwachten levensjaar. Dit betekent dat het verschil tussen de AOW-leeftijd – vaak ook het einde van de arbeidsovereenkomst en ingang van het pensioen – en de fiscale pensioenrichtleeftijd van 68 die in veel pensioenregelingen is opgenomen, langer zal blijven bestaan.

Zware beroepen
De boete voor een regeling voor vervroegd uittreden (RVU) wordt slechts opgelegd aan de werkgever als de uitkering meer bedraagt dan € 19.000. Vervroegd uittreden zal mede mogelijk worden gemaakt door verlof op te sparen om zo eerder te kunnen stoppen met werken, of om juist kort voor de pensioendatum extra verlof op te kunnen nemen.

Ten slotte

Het kabinet zal de wet- en regelgeving die nodig is om te komen tot het nieuwe pensioenstelsel ter hand nemen. Daarbij zal de wetgeving over het aanpassen van de AOW-leeftijd en de nieuwe kortingsregel eerste prioriteit hebben. Vanaf 2022 zal het wettelijk kader gereed moeten zijn.

Hierbij is het goed te bedenken dat het om beleidsvoornemens gaat en dat alle genoemde onderwerpen nog verder moeten worden uitgewerkt. We kunnen wel stellen dat de pensioenwereld aan de vooravond staat van de meest ingrijpende wijziging in het Nederlandse pensioenstelsel ooit.

Contact

Heeft u nog vragen? Of heeft u ondersteuning nodig bij de uitwerking van deze wijziging en de gevolgen hiervan voor uw pensioenregeling, de administratieve uitvoering en de daarbij behorende communicatie? Neem dan contact met ons op. We helpen u graag.