De stofwolken van de Wet verbeterde premieregeling

24 mei 2016

Leestijd 4 minuten

De stofwolken van de Wet verbeterde premieregeling

Toen de Tweede Kamer op 10 maart instemde met het wetsvoorstel “Verbeterde premieregeling” waren er nog diverse onduidelijkheden. Sindsdien is er door het ministerie van Sociale Zaken een ontwerpbesluit gepubliceerd en zijn er zowel door het Kabinet als door de initiatiefneemster van het wetsvoorstel, Tweede Kamerlid Lodders, vragen vanuit de Eerste Kamer beantwoord. Waar een aantal onduidelijkheden nu (deels) is weggenomen, zijn er ook vragen onbeantwoord gebleven. Sterker nog, er zijn zelfs vragen bij gekomen. Mede daarom heeft de Eerste Kamer op 31 mei besloten om een extra behandeling (derde termijn) van het wetsvoorstel in te gelasten op 14 juni. Diezelfde dag moet dan gestemd worden over de invoering.

Wat is ’zeker’?

Op basis van het ontwerpbesluit en de antwoorden van het Kabinet en Kamerlid Lodders lijkt het volgende met redelijke zekerheid te kunnen worden geconcludeerd:

  • Projectierente blijft de risicovrije RTS zoals die voor pensioenfondsen geldt. Hier zijn diverse vragen over gesteld, maar een andere rekenrente wordt niet wenselijk geacht door de iniatiefneemster.
  • Vaste uitkering blijft de default uitkering. De enige uitzondering hierop is een fonds dat uitsluitend variabele uitkeringen uitvoert met een collectief toedelingsmechanisme voor het beleggingsrisico. In dat geval is de variabele uitkering de default.
  • Deelnemers bij een pensioenfonds krijgen een shoprecht voor de uitkering die niet door het fonds wordt aangeboden.
  • Gedurende de opbouwfase moet de uitvoerder twee life cycles (één gericht op een vaste uitkering en één op een variabele) aanbieden aan de deelnemers. Ook als alleen een vaste of variabele uitkering wordt aangeboden. Achterliggende gedachte is dat de deelnemer shoprecht heeft en daarop moet kunnen voorsorteren.

Maar is dat allemaal wel zo zeker?

De laatste twee ’zekerheidjes’ raken dus ook pensioenfondsen die geen variabele uitkering willen aanbieden. Maar is dat wel zo? Uit de toelichting van het Kabinet bij het ontwerpbesluit kan worden opgemaakt dat pensioenfondsen niet altijd aan deze verplichtingen (shoprecht en tenminste twee life cycles) hoeven te voldoen. Het betreft dan regelingen waarbij de deelnemer op de pensioendatum verplicht is om het pensioenkapitaal te gebruiken voor inkoop in de basisregeling. Dit kunnen vrijwillige (aanvullende) regelingen zijn, zoals nettopensioenregelingen, maar ook al dan niet vrijwillige, beschikbare premieregelingen. Voor het uitvoeren van een vrijwillige beschikbare premieregeling door een pensioenfonds gelden aanvullende voorwaarden. De meest toegepaste voorwaarde is dat er met het opgebouwde pensioenkapitaal pensioen wordt ingekocht in de basisregeling. Er is geen mogelijkheid om het kapitaal anders aan te wenden. 

Het staat pensioenfondsen natuurlijk altijd vrij om wel een shoprecht en andere life cycles aan te bieden aan hun deelnemers. Dat kan ook bij vrijwillige regelingen want inkoop in de basisregeling is niet de enige voorwaarde die uitvoering van een vrijwillige beschikbare premieregeling mogelijk maakt. Indien de werkgever 10% van de te betalen premie betaalt, wordt daarmee ook aan de wettelijke voorwaarden voor een vrijwillige pensioenregeling uitgevoerd door een pensioenfonds voldaan.

Een ander onderwerp waar onduidelijkheid over blijft bestaan is de manier waarop gecommuniceerd moet gaan worden met deelnemers. Het is duidelijk dat de hoogte van de uitkering in verschillende scenario’s moeten worden doorgerekend. Hoe die berekening plaats dient te vinden blijft vaag, maar gesteld is dat DNB daarvoor de regels gaat opstellen. Tot het moment dat deze methodiek bekend is, zal er met een tijdelijke rekenmethode gewerkt moeten worden. De relatief korte periode totdat de definitieve rekenregels bekend zijn (naar verwachting in de loop van 2017) is niet ideaal.

Invoering per 1 augustus?

De oorspronkelijke doelstelling was dat de wet per 1 juli 2016 in werking zou treden. De Eerste Kamer heeft al aangegeven invoering per 1 augustus realistischer te vinden. Het is de vraag in hoeverre alle vragen opgehelderd moeten zijn voordat de Kamer haar goedkeuring geeft. Als dat vereist is, dan lijkt ook 1 augustus moeilijk haalbaar. Omdat alle betrokkenen erg hechten aan een snelle invoering van de wet, is de kans groot dat de wet met enige stofwolken van start zal gaan.