Column: Boontje komt om z’n Loontje

17 mei 2018

865

Leestijd 4 minuten

Tot de dood ons scheidt. U weet, zo gaat het niet altijd. Je zou er misschien niet als eerste aan denken, maar de gevolgen van een echtscheiding voor het pensioen zijn groot. Behoorlijk groot. Een historisch overzicht.

Tot 1981 had een scheiding geen pensioengevolgen. Het pensioen dat de deelnemer opbouwde – meestal de man[1] – was bedoeld voor zijn oude dag en dus ook alleen voor hem bestemd. Het was, zoals de Hoge Raad dat noemde, aan hem 'verknocht'. Andere woorden voor verknocht zijn volgens Synoniemen-net: gebakken, toegewijd, gehecht. Het opgebouwde pensioen was dus zo vastgebakken aan degene die het opbouwde, dat het niet verdeeld hoefde te worden bij een scheiding, zoals dat bij andere zaken die wel in de gemeenschappelijke boedel vallen, bijvoorbeeld het huis, de auto, de boot etc, wel moet.

In 1981 ging de Hoge Raad 'om', zoals dat heet. In het Boon-Van Loon-arrest. Geen grap. Meneer Boon scheidde echt van mevrouw Van Loon en volgens de Hoge Raad moest zijn pensioen ook meegenomen worden in de verdeling. Het viel in de gemeenschappelijke boedel en was niet langer verknocht. Immers, de man bouwde dan wel zelf het pensioen op, maar dat pensioen is een vermogensbestanddeel dat onderdeel is van de boedel. Het is dan ook logisch dat als man en vrouw uit elkaar gaan, de vrouw recht heeft op de helft van dat pensioen. Had ie maar niet moeten scheiden zou je bijna denken; boontje komt om z’n loontje.

In 1995 kwam er een wet die regelde hoe hiermee moet worden omgegaan. De 'Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding'. Afgekort de WVPS. De wet wat? De Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding. Er gaan dagen voorbij dat ik het woord 'verevenen' niet gebruik.  Synoniemen-net kent dat woord ook niet. Maar het betekent eigenlijk niets anders dan verdelen. Hoofdregel van die wet is dat de vrouw recht heeft op de helft van het gedurende het huwelijk door de man opgebouwde pensioen. De achterliggende gedachte is dat de pensioenopbouw het resultaat is van een gezamenlijke inspanning tijdens het huwelijk. De vrouw heeft de man immers in staat gesteld om het pensioen op te bouwen en het is dan ook logisch en eerlijk dat het verdeeld wordt bij een scheiding. De WVPS gaat dus uit van het traditionele kostwinnersmodel. De oudere lezers onder u weten dan nog wel welk model ik bedoel.

Maar het deel waar de vrouw recht op heeft gaat pas in als de man zijn pensioenleeftijd bereikt. Gaat de man eerder dood, dan stopt de uitkering aan de vrouw. Overlijdt de vrouw eerder, dan krijgt de man weer zijn volledige pensioen terug.

De vrouw blijft dus ondanks de scheiding wel afhankelijk van (het leven van) de man. Willen ze het anders en alle banden doorsnijden dan kunnen ze 'conversie' afspreken. Conversie gebruikt u ook niet elke dag schat ik in, maar een synoniem is 'omzetten'. Dan krijgt de vrouw een eigen recht dat niet meer afhankelijk is van het leven van de man. Maar de andere kant van de medaille is wel dat de man zijn volledige uitkering niet terugkrijgt als zijn ex overlijdt. En dat maakt dat conversie niet zo populair is.

De overheid wil nu na ruim 20 jaar de WVPS evalueren. Eén van de ideeën is om conversie tot een standaard-methode te bombarderen. De maatschappij individualiseert en economische zelfstandigheid staat hoog in het vaandel. Terug naar de verknochtheid van voor 1980 is de klok ver terugzetten. Maar een zelfstandig en onafhankelijk recht op de helft van het pensioen dat de ander heeft opgebouwd, knelt op de een of andere manier ook met de individualistische tijdgeest van vandaag, waar het kostwinnersmodel allang begraven is.

[1] Of vrouw natuurlijk. Dat geldt trouwens voor deze hele column; waar ik man noem, bedoel ik ook vrouw en andersom, en ook man/man en ook vrouw/vrouw. Sexe- en genderneutraal, zeg maar.