Onze reactie op de brief van minister Koolmees

Inleiding

De discussie over de toekomst en de vernieuwing van het Nederlandse pensioenstelsel loopt inmiddels al ruim 10 jaar. Toen als gevolg van de economische crisis in 2008 de financiële positie van veel pensioenfondsen verslechterde, zijn adviescommissies ingesteld die zich bezighielden met de vraag hoe het pensioenstelsel aangepast en gemoderniseerd zou moeten worden. Ook in de jaren daarna is op dit vlak veel papier geproduceerd in de vorm van adviezen en rapporten. Op een aantal punten zijn inmiddels aanpassingen doorgevoerd, onder meer als het gaat om een nieuw financieel toetsingskader en een aanpassing van de fiscale pensioenleeftijd en opbouwpercentages. Een nieuw pensioenstelsel is er nog altijd niet. Nu eind vorig jaar ook de gesprekken tussen kabinet en sociale partners zijn stukgelopen, neemt het kabinet zelf het initiatief om stappen te zetten om te komen tot een nieuw pensioenstelsel. Dat blijkt uit een brief die minister Koolmees vorige week vrijdag aan de Tweede Kamer stuurde.

Gesprekken met sociale partners en redenen tot vernieuwing

In de brief schetst minister Koolmees eerst wat concreet op de onderhandelingstafel lag tijdens de gesprekken tussen kabinet en sociale partners. Zo waren onderdelen van het totaalpakket aan afspraken onder meer dat er in een nieuw stelsel meer perspectief op indexatie zou zijn, maar tegelijk dat er bij tegenvallers eerder gekort zou moeten worden. De doorsneesystematiek - waarin door een gelijke opbouw en een gelijke premie voor jong en oud, ouderen min of meer gesubsidieerd worden door jongeren - zou worden afgeschaft. Daarnaast zou de verhoging van de AOW-leeftijd, die momenteel is gekoppeld aan de stijging van de gemiddelde levensverwachting, minder snel worden verhoogd. In de laatste plaats zou worden onderzocht of middelen beschikbaar kunnen worden gesteld om mensen die fysiek en/of mentaal zwaar werk doen, eerder met pensioen te laten gaan.

De urgentie om te komen tot vernieuwing van het pensioenstelsel is met het vastlopen van het overleg tussen het kabinet en sociale partners niet verdwenen, aldus de minister. Ouderen zijn van mening dat hun pensioen ten onrechte niet wordt geïndexeerd en onder jongeren leeft de angst dat er voor hen later geen pensioen meer is. De arbeidsmarkt verandert en de groep werkenden die geen pensioen opbouwt is groeiende. Volgens de minister is de kloof tussen verwachtingen en pensioenresultaten hoog en het vertrouwen in het pensioenstelsel laag. Dit komt onder andere door de voortdurende discussie over het stelsel zonder concrete uitkomsten.

De 10 deelonderwerpen

In de brief behandelt de minister 10 deelonderwerpen. Hij legt elk onderwerp uit, en geeft per onderwerp aan wat de eerstvolgende stappen zijn. Daarbij benadrukt de minister dat een nieuw stelsel de huidige financiële problemen niet oplost. De blijvend lage rente is ongunstig voor ieder kapitaalgedekt stelsel. De mogelijkheid om meer beleggingsrisico te nemen, kan leiden tot meer rendement, maar het is niet zeker of dat risico ook wordt beloond. Een nieuw pensioencontract zou volgens de minister wel meer duidelijkheid kunnen creëren en de kloof tussen verwachtingen en uitkomsten kunnen dichten.

1. Afschaffing doorsneesystematiek

Het kabinet is van plan om wetgeving voor te bereiden waarmee de doorsneesystematiek wordt afgeschaft en wordt overgestapt naar een systeem met degressieve opbouw (een lagere opbouw, naar mate de leeftijd stijgt) in DB-regelingen. Voor DC-regelingen zou dan een vlakke premie gaan gelden, waar de staffelpremie nu oploopt met de leeftijd. Het fiscale kader wordt daarmee ook aangepast en zal dan ruimte bieden voor een maximale jaarlijkse premie-inleg die voor alle pensioenregelingen (en alle leeftijden) geldt. Waar nu de fiscale begrenzing nog ziet op de pensioenopbouw, zal deze straks dus zien op de premie. De overstap naar een systeem met degressieve opbouw/vlakke premie kan gepaard gaan met substantiële overgangseffecten. Een wettelijk transitiekader met onder meer een verplicht transitieplan voor werkgevers zou moeten bijdragen aan een evenwichtige overgang. De pensioenuitvoerder (fonds of verzekeraar) kan een belangrijke rol spelen bij het inzichtelijk maken van de overgangseffecten. Het kabinet zal de komende tijd berekeningen laten maken om inzicht te krijgen in de verschillende effecten op fonds- en regelingniveau. Hiermee wordt onder meer beoogd inzicht te krijgen in de arbeidsmarkteffecten en om te bepalen welke transitieduur nodig is voor een evenwichtige overgang.

Met name het compensatievraagstuk zal naar ons idee de nodige aandacht vragen en discussie opleveren. Immers, voor iedereen die nu pensioen opbouwt geldt dat sprake is van een achteruitgang. Dit ziet u in onderstaande grafiek. Als het uitgangspunt van de degressieve staffel is dat een deelnemer bij het volledig doorlopen van de staffel hetzelfde ontvangt als bij de doorsnee opbouw, dan gaat dus ook een jonge deelnemer erop achteruit bij een overgang naar degressieve opbouw (rode vlak in grafiek is dan misgelopen). 

We hebben enige tijd geleden een business analyse van de afschaffing van de doorsneesystematiek afgerond. Zo is onderzocht wat de impact van de afschaffing is voor de systemen en processen binnen de administratie. Wijzelf en onze klanten zijn op die manier goed voorbereid op deze - toch wel majeure - wijziging.

2. Wet verbeterde premieregeling toegankelijker en aantrekkelijker

Met de Wet verbeterde premieregeling die in 2016 in werking is getreden, is het mogelijk geworden om pensioenuitkeringen die volgen uit premie- of kapitaalovereenkomsten aan te passen aan de hand van onder meer het gerealiseerde beleggingsrendement en wijzigingen in de gemiddelde levensverwachting. Daardoor kan er langer met meer risico worden belegd. Met een hoger beleggingsrisico is de kans op een hoger rendement groter. De pensioenuitkeringen kunnen dan dus na de ingangsdatum door de zojuist genoemde oorzaken stijgen, maar ook dalen (een variabele uitkering).

Het is voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen niet mogelijk een premieregeling uit te voeren waarbij de beschikbare premie – zoals gebruikelijk en fiscaal gefaciliteerd - oploopt naar mate de leeftijd stijgt. Zij zijn immers wettelijk verplicht een doorsneepremie te hanteren.  Met de afschaffing van de doorsneesystematiek (zie hiervoor), wordt het ook voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen mogelijk een premieregeling uit te voeren. Daarmee wordt het dus ook mogelijk om een variabele uitkering aan te bieden. Het kabinet onderzoekt of er optionele mogelijkheden zijn om binnen een dergelijke regeling meer risico’s collectief te delen. Het kabinet is overigens niet van plan de verplichtstelling zelf ter discussie te stellen.

Wij hebben ruime ervaring met het uitvoeren van premieregelingen en voeren voor een aantal van onze klanten een variabele uitkering uit. Mochten (bedrijfstak)pensioenfondsen te zijner tijd overstappen op een premieregeling met de mogelijkheid een variabele uitkering in te kopen, dan heeft TKP ervaring met de implementatie daarvan, evenals met de vragen die bij de introductie van een dergelijke regeling bij pensioenfondsen op kunnen komen.

3. Maatwerk in beleggingsbeleid

Pensioenfondsen voeren vaak één uniform beleggingsbeleid in het belang van alle aanspraak- en pensioengerechtigden. Er worden echter twee doelen nagestreefd: indexatie, waarvoor beleggingsrisico moet worden genomen en nominale zekerheid, waarvoor afdekking van (rente)risico nodig is. Eén uniform beleggingsbeleid past volgens het kabinet niet bij twee tegenstrijdige doelen. Het idee is daarom dat pensioenuitvoerders verplicht worden beleggingsrisico’s te nemen volgens het  lifecyclepatroon. Het beleggingsrisico neemt daarbij af naar mate de leeftijd stijgt. Hierbij zou gewerkt kunnen worden met meerdere beleggingsmixen. Eventuele wettelijke belemmeringen zouden weggenomen moeten worden.

Het lijkt erop dat het kabinet met deze maatregel het voornemen heeft in dit kader uitzonderingen toe te laten op het wettelijk voorgeschreven beginsel dat bij een pensioenfonds sprake is van één financieel geheel. Dat roept een aantal vragen op ten aanzien van bijvoorbeeld overgang tussen deze ‘collectieven’ en afzonderlijk toeslag- en kortingsbeleid per ‘collectief’. Het kabinet zal op dit punt meer duidelijkheid moeten scheppen om de bedoelingen en consequenties te overzien.

4. Omzetting bestaande aanspraken naar persoonlijk pensioenvermogen

Zoals ook uit het regeerakkoord bleek, heeft het kabinet het voornemen dat het nieuwe pensioenstelstel vorm krijgt door over te stappen naar pensioencontracten met persoonlijke pensioenvermogens in de opbouwfase.  Ook wordt het mogelijk gemaakt de bestaande aanspraken, opgebouwd voor de overstap, samen te voegen met de ‘nieuwe’ aanspraken. Er ontstaat dan dus een persoonlijk (start)vermogen. Het kabinet onderzoekt of het ook mogelijk kan worden gemaakt de samenvoeging meer geleidelijk te laten plaatsvinden. Daarbij stromen de nieuw opgebouwde aanspraken vóór de pensioendatum geleidelijk weer bij de rechten die eerder in een (ftk)contract zijn opgebouwd.

Naar onze mening roept deze passage in de brief veel vragen op. Zo is de samenhang tussen een systeem van degressieve opbouw en persoonlijke pensioenvermogens in de opbouwfase niet helder. Verder is onduidelijk hoe de oude en nieuwe aanspraken precies samenvloeien en in welke vorm. Wij roepen de eerdere discussies over het “invaren” in het reële contract in herinnering. Het zal duidelijk zijn dat een stevige juridische en wettelijke borging nodig is.

5. Opname bedrag ineens mogelijk maken

Het voornemen is het pensioenstelsel persoonlijker te maken door het introduceren van meer keuzemogelijkheden en meer persoonlijke communicatie. Een onderdeel daarvan is het mogelijk te maken bij pensionering een bedrag ineens op te nemen, bijvoorbeeld om een hypotheek af te lossen. Gedacht wordt aan een maximaal bedrag gelijk aan 10% van de pensioenaanspraak. Hiermee wordt voorkomen dat deelnemers onvoldoende pensioen overhouden. Daarnaast worden ook andere keuzemogelijkheden onderzocht, zoals het inzetten van een deel van de premie voor het aflossen van de hypotheek en de mogelijkheid te kiezen voor een duurzaam groen pensioen.

In de uitvoering levert de opname van een bedrag ineens geen voorzienbare problemen op. Meer in algemene zin lijkt het ons wel van belang over deze mogelijkheid duidelijke informatie te verstrekken, aangezien het kan gaan om een aanzienlijk bedrag. In het voorbeeld van een opgebouwd pensioen van € 30.000 per jaar is 10% van de waarde ruim € 50.000 bruto. Deelnemers worden nu al bij het maken van pensioenkeuzes begeleid met behulp van pensioendashboards en planners. TKP heeft recent de customer journey ’met pensioen gaan’ in kaart gebracht om te kijken hoe de begeleiding verder verbeterd kan worden. We bekijken in hoeverre de begeleiding uitgebreid moet worden naar een totale financiële planning. Het voorstel van het kabinet maakt dit immers nog noodzakelijker.

Verder komt de vraag op of het mogelijk wordt het eenmalige bedrag voor alle (consumptie)doeleinden te gebruiken en/of deelnemers door bijvoorbeeld een curator gedwongen kunnen worden een bedrag op te nemen om andere schulden af te lossen. Dat zal bij de nadere uitwerking ongetwijfeld duidelijk worden.

6. Communiceren over persoonlijke pensioenvermogens

Om inzicht te geven in de eigen pensioensituatie is het volgens het kabinet van belang dat deelnemers kunnen zien hoeveel premie er is ingelegd en het rendement dat daarop is behaald, welk deel van het pensioenvermogen voor hen is gereserveerd en de verwachte pensioenuitkering die daaruit voortvloeit (in drie scenario’s). Het kabinet gaat daarom onderzoeken hoe voor ieder pensioencontract de deelnemer kan beschikken over dezelfde persoonlijke informatie op dat vlak.

TKP kent eerdere initiatieven in de markt op het punt van communicatie over persoonlijke pensioenvermogens en denkt na over een efficiënte manier van het administreren en presenteren daarvan. Via onder meer de Pensioenfederatie is TKP betrokken bij de nadere invulling van wetgeving op het gebied van pensioencommunicatie. 

7. Verbreden reikwijdte van het pensioenstelsel

Uit recent onderzoek door het CBS bleek dat het aandeel werknemers dat geen pensioen opbouwt (de zogenoemde witte vlek) in 2016 13% was. Het kabinet wil nagaan of er maatregelen mogelijk zijn die ertoe leiden dat de pensioenopbouw onder werknemers wordt vergroot. Het overgrote deel van de zelfstandigen bouwt geen aanvullend pensioen in traditionele zin op. Het kabinet is evenwel geen voorstander van een verplichting voor zelfstandigen om pensioen op te bouwen. Wel zou pensioenopbouw voor zelfstandigen makkelijker en aantrekkelijker kunnen worden gemaakt.  Te denken valt aan vrijwillige aansluiting bij een pensioenfonds. Ook als men niet eerder werkzaam is geweest in de betreffende sector. Het kabinet roept daarnaast sociale partners  en vertegenwoordigers van zelfstandigen op om te zoeken naar aantrekkelijke mogelijkheden voor zelfstandigen om pensioen op te bouwen.

Veel van onze klanten kennen een regeling waarin vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling op individueel niveau mogelijk is. De inning van de pensioenpremie verloopt in dat geval niet via een werkgever maar via de betrokkene zelf. Bij een uitbreiding van de mogelijkheden van voorzetting (of ‘nieuwe’ aansluiting) van zelfstandigen zal de administratieve eenvoud de succesfactor zijn.

8. Verbetering voor nabestaanden

Er is veel onbekendheid en onduidelijkheid over de financiële risico’s ten aanzien van het nabestaandenpensioen. De vormgeving van het nabestaandenpensioen is divers en complex en de gevolgen van bijvoorbeeld scheiding, werkloosheid of wisseling van werkgever voor het verzekerde nabestaandenpensioen zijn niet altijd duidelijk. De behoefte aan een adequate nabestaandenvoorziening is nog altijd actueel, aangezien er in veel huishoudens geen sprake is van een evenwichtige inkomensverdeling. De minister heeft aan de Stichting van de Arbeid gevraagd een advies uit te brengen over de wenselijke dekking  van het nabestaandenpensioen. Ook zal aan de hand van al uitgebrachte adviezen worden gekeken naar een mogelijk uniformering in de definitie van het partnerbegrip in pensioenregelingen.

De pensioenregelingen die wij voor onze klanten uitvoeren kennen verschillende partnerbegrippen en vormen van nabestaandendekking. Een uniformering van het partnerbegrip zou in de visie van TKP een goede stap zijn richting algemene bekendheid en duidelijkheid bij deelnemers op dit punt. De uitgebrachte adviezen gaan echter uit van een minimumeis als het gaat om de reikwijdte van het partnerbegrip. Verschillen tussen de regelingen zullen op die manier niet worden weggenomen.

9. Koppeling levensverwachting en pensioenleeftijd

Het kabinet gaat onderzoeken wat een verstandige koppeling zou zijn van de levensverwachting met zowel de AOW-leeftijd als de fiscale pensioenrichtleeftijd, mocht de levensverwachting verder doorstijgen.

Mogelijk zal het kabinet de huidige koppeling met de levensverwachting dus anders inrichten. Vanuit de administratie verwachten wij in dat geval geen problemen. De AOW-leeftijd en de fiscale pensioenrichtleeftijd lopen nu al vaak uiteen. Wel zou met name vanuit communicatieve overwegingen het kabinet kunnen overwegen de AOW-leeftijd en de fiscale pensioenrichtleeftijd gelijk te laten zijn (bijvoorbeeld op hele jaren nauwkeurig). Op beide leeftijden zou dezelfde koppeling met de levensverwachting kunnen worden gelegd.

10. Commissie Parameters

Recent heeft de minister de leden van de Commissie Parameters benoemd. Deze commissie zal voor de zomer van 2019 adviseren over de te gebruiken paramaters per 2020. Deze parameters zijn onder meer de maximaal te hanteren gemiddelde rendementen voor verschillende beleggingscategorieën. In 2009 bracht de commissie een verdeeld advies uit. Daarna is vastgelegd dat de commissie moet bestaan uit onafhankelijke leden. De oud-minister van Financiën, de heer Dijsselbloem is benoemd als voorzitter van de commissie. Daarnaast bestaat de commissie uit zes wetenschappers met een verschillende achtergrond die relevant is voor hun deelname.

Voor onze administratieve uitvoering zal een nieuw advies weinig directe gevolgen hebben. Wel zullen berekeningen die gebaseerd zijn op de nieuwe parameters andere uitkomsten opleveren. Op collectief niveau zijn dit bijvoorbeeld herstelplannen, haalbaarheidstoetsen en berekeningen voor premies en toeslagen. Voor individuele deelnemers geldt dat de Uniforme Rekenmethodiek gebruik maakt van de parameters. Het is mogelijk dat deelnemers vragen gaan stellen over gewijzigde uitkomsten. TKP zal hier in de communicatie aandacht aan besteden.

Tot slot

De brief van de minister aan de Tweede Kamer laat zien dat het kabinet na het vastlopen van de onderhandelingen met sociale partners niet van plan is te wachten met het nemen van stappen richting een nieuw pensioenstelsel. Wel worden diezelfde sociale partners, evenals andere belangenorganisaties, toezichthouders en pensioenuitvoerders gevraagd het gesprek aan te gaan met het kabinet.

Wij doen al geruime tijd onderzoek naar de implicaties van de diverse denkrichtingen voor de verschillende elementen van de administratie en andere dienstverlening voor onze klanten. De brief van de minister laat zien dat ons onderzoek kan worden voortgezet, omdat de meeste elementen niet nieuw zijn ten opzichte van eerdere berichtgeving. Anderzijds roept de brief ook een aantal vragen op. De komende tijd zullen de deelonderwerpen waarschijnlijk verder worden uitgewerkt en uitmonden in wetsvoorstellen. Wij houden onze klanten uiteraard op de hoogte. Ook intern blijft TKP onderzoek doen naar de implicaties van een en ander, zodat te zijner tijd klanten optimaal kunnen worden gefaciliteerd en begeleid bij de overgang naar het nieuwe stelsel.