De Wet verbeterde premieregeling

De Wet verbeterde premieregeling

Laatst gewijzigd op 2 februari 2017

Op 14 juni 2016 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het initiatiefwetsvoorstel van Tweede Kamerlid Helma Lodders (VVD) betreffende de ‘Wet verbeterde premieregeling’.​

De wet is op een bijzondere manier tot stand gekomen, want het betrof uiteindelijk een samenwerking tussen Kamerlid Lodders en staatssecretaris Klijnsma. De aanleiding voor het wetsvoorstel was dat het momenteel, mede door de lage rente, voor deelnemers met een premieovereenkomst moeilijk is om tot een optimaal pensioenresultaat te komen. Door de nieuwe wet wordt het nu mogelijk om te profiteren van risicovollere beleggingen tijdens pensionering met daarbij een kans op hogere rendementen en dus een hogere uitkering. Maar ook lagere uitkeringen worden hierdoor mogelijk. Daarmee is de hoogte van de uitkering ook niet meer zo sterk afhankelijk van de rentestand op het moment van inkoop.

Zorgplicht pensioenuitvoerders uitgebreid

De wet maakt het mogelijk om pensioenuitkeringen die volgen uit premie- of kapitaalovereenkomsten aan te passen aan de hand van het gerealiseerde beleggingsrendement en/of een aangepaste levensverwachting en/of het gerealiseerde sterfteresultaat. Daardoor kan er langer met meer risico worden belegd. Met een hoger beleggingsrisico is de kans op een hoger rendement groter. De pensioenuitkeringen kunnen dan na de ingangsdatum door de zojuist genoemde oorzaken stijgen, maar ook dalen. Hiermee is ook de zorgplicht voor pensioenuitvoerders uitgebreid. Een pensioenuitvoerder zal vaker moeten informeren en informatie moeten opvragen omtrent de risicohouding van de betrokkene.

Tijdens de opbouwfase zal aan (gewezen) deelnemers gevraagd moeten worden of men later een vaste of een variabele pensioenuitkering wenst. Het antwoord op deze vraag is namelijk vanaf een bepaalde leeftijd bepalend voor het beleggingsrisico dat de (gewezen) deelnemer vervolgens met zijn beleggingen kan lopen. Voorsorteren op een variabele uitkering betekent dan een hoger beleggingsrisico dan een voorkeur voor een vaste uitkering. Dit verschil in beleggingsrisico zal zich rondom de 47-jarige leeftijd voordoen en daarom zal er dan pas geïnformeerd hoeven te worden naar de voorkeur. 

Op de pensioendatum zal de (gewezen) deelnemer moeten kiezen voor een vaste of een variabele uitkering of een (willekeurige) combinatie van beide. Dit ongeacht de keuze die vóór de pensioendatum in de opbouwfase betreffende de life cycle is gemaakt. Dus iemand die voorkeur had uitgesproken voor een variabele uitkering en in die life cycle had belegd, kan uiterlijk op de pensioendatum nog besluiten een vaste uitkering aan te kopen (of andersom).

Shoprecht

Als de eigen pensioenuitvoerder een pensioenfonds is en dit fonds zowel een vaste als een variabele pensioenuitkering aanbiedt, bestaat er geen shoprecht naar een andere uitvoerder. Indien het pensioenfonds maar één van beide vormen aanbiedt, bestaat er uitsluitend shoprecht voor de niet aangeboden vorm. Bij andere pensioenuitvoerders bestaat altijd shoprecht, ook al biedt de betreffende uitvoerder toch beide varianten aan.

In de wet is verder bepaald wat er moet worden aangekocht als de deelnemer geen keuzes maakt, de te hanteren projectierente en welke vaste stijging en daling is toegestaan. Daarnaast is aangegeven hoe vaak de uitkering ten minste moet worden aangepast, of dat individueel of collectief kan en dat de stijging of daling over maximaal 10 jaar mag worden gespreid.

Drie scenario's

Een pensioenuitvoerder zal bij het bereiken van de pensioendatum moeten informeren op basis van drie verschillende scenario’s (pessimistisch, verwacht en optimistisch) en er zal moeten worden aangegeven welke variant de pensioenuitvoerder zelf wel en niet aanbiedt. Indien van toepassing moet worden gewezen op het shoprecht. Gepensioneerden moeten ieder jaar worden geïnformeerd over de hoogte van de uitkering dat jaar en wat in de drie genoemde scenario’s de uitkering naar verwachting over 10 jaar zal zijn.

De wet is in werking getreden op 1 september 2016. Voor een aantal zaken geldt uitstel tot 1 januari 2018, onder meer het inrichten van de specifieke life cycles die voorsorteren op de vaste of variabele uitkering. De AFM heeft op 22 december 2016 een leidraad gepubliceerd, waarin specifiek wordt ingegaan op de zorgplicht en informatieverstrekking in het kader van de Wet verbeterde premieregeling.​