Toestemming nodig voor omzetting naar nieuwe pensioenleeftijd?

Toestemming nodig voor omzetting naar nieuwe pensioenleeftijd?

Kan het pensioenfondsbestuur de nieuwe pensioenleeftijd die in een nieuwe regeling geldt zonder toestemming van de deelnemer omzetten? Staatssecretaris Klijnsma heeft daarover een brief naar de Kamer gestuurd.

Bij het wijzigen van de in de pensioenregeling opgenomen pensioenleeftijd (bijvoorbeeld van 65 naar 67), rijst de vraag hoe omgegaan moet worden met het tot het moment van wijziging opgebouwde pensioen. Het opgebouwde ouderdomspensioen heeft immers een andere pensioenleeftijd, dan het pensioen dat na de wijziging wordt opgebouwd. Het hanteren van één pensioenleeftijd kan wenselijk zijn vanuit een oogpunt van uitvoering en communicatie. Dat betekent dat het ouderdomspensioen met – in dit voorbeeld – een ingangsdatum van 65, omgezet zou moeten worden naar de pensioenleeftijd die in de nieuwe regeling geldt (67). Maar kan dat zomaar zonder toestemming van de deelnemer?

Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Jetta Klijnsma heeft in een brief van 17 januari jl., aan de Eerste Kamer aangegeven dat de Pensioenwet de ruimte biedt om dit te doen zonder tussenkomst van de deelnemer. Voorwaarde daarvoor is dat de omzetting actuarieel neutraal gebeurt en dat het pensioenreglement de mogelijkheid moet bieden om het pensioen weer te vervroegen. Het is aan het bestuur van het pensioenfonds (en dus niet aan de sociale partners) om al dan niet te besluiten tot de omzetting.

Direct na het verschijnen van de brief werd in de sociale media door pensioenjuristen kritisch gereageerd op de opvatting van de staatssecretaris. Zij wijzen op artikel 20 en 83 van de Pensioenwet. Artikel 20 bepaalt dat bij het wijzigen van de pensioenovereenkomst het opgebouwde pensioen niet gewijzigd mag worden, behalve als er sprake is van (interne) waardeoverdracht als bedoeld in artikel 83. Voor een waardeoverdracht in de zin van artikel 83 is de toestemming nodig van de deelnemer. Volgens de commentaren is de omzetting van pensioen naar een hogere pensioenleeftijd (ook al gebeurt dat actuarieel neutraal) een wijziging van het opgebouwde pensioen en dat is dus in beginsel strijdig met artikel 20. Alleen als er interne waardeoverdracht plaatsvindt, is dat niet het geval, maar dat kan niet zonder tussenkomst van de deelnemer. Kortom: alleen als de wet zou worden aangepast zou het mogelijk zijn om zonder toestemming van de deelnemer het opgebouwde pensioen om te zetten naar de nieuwe pensioenleeftijd.

Klijnsma ziet dat dus anders. Volgens haar is er geen sprake van aantasting van opgebouwd pensioen. De omzetting moet immers actuarieel neutraal gebeuren en kan alleen als het pensioenreglement de mogelijkheid biedt het pensioen weer op de oorspronkelijke leeftijd in te laten gaan. Dat het bij een latere keuze van de deelnemer om het pensioen te vervoegen zo kan zijn dat de deelnemer minder pensioen terugkrijgt dan in de situatie waarin het pensioen niet zou zijn omgerekend naar de nieuwe pensioenleeftijd, maakt dat volgens Klijnsma niet anders. Artikel 83 is volgens de staatssecretaris evenmin aan de orde. Het hanteren van de nieuwe pensioenleeftijd voor opgebouwd pensioen hoeft volgens haar niet via de route van de interne waardeoverdracht plaats te vinden, maar kan eenvoudigweg door een besluit van het pensioenfondsbestuur tot stand komen.

De staatssecretaris legt de bal dus bij de fondsbesturen en je zou kunnen zeggen dat ze hen daarmee met een moeilijk dilemma opzadelt. Kan het bestuur er nu klakkeloos van uitgaan dat het juridisch klopt wat de staatssecretaris schrijft? Wij vinden dat daar goede argumenten voor zijn. Immers, van de overheid mag verwacht worden dat zij zorgvuldig handelt en pensioenfondsen mogen er vanuit gaan dat een uiting van die overheid, waarin onomwonden wordt aangegeven dat omrekening mogelijk is zonder tussenkomst van de deelnemer, in overeenstemming is met wet- en regelgeving. Een extra waarborg zou wat ons betreft nog gelegen kunnen zijn in de afstemming met sociale partners. Het fondsbestuur kan dan voordat besloten wordt tot de omrekening beoordelen of daarvoor voldoende draagvlak is.