De toekomst van het pensioenstelsel

De toekomst van het pensioenstelsel

Laatst gewijzigd op 1 februari 2016

Mede door demografische, economische, arbeidsmarktgerelateerde en sociaal-culturele ontwikkelingen leven er fundamentele vragen over de inrichting van het pensioenstelsel en zijn maatschappelijke houdbaarheid op langere termijn. Het is volgens het kabinet van belang dat het gesprek hierover breed wordt gevoerd. Eventuele fundamentele wijzigingen van het pensioenstelsel treffen iedereen. Parallel aan de regelgeving voor de korte en middellange termijn heeft het kabinet daarom een brede dialoog over de fundamenten van het pensioenstelsel georganiseerd: de Nationale Pensioendialoog. Wat in die dialoog is opgehaald, heeft als basis gediend voor een hoofdlijnennotitie over de toekomst van het pensioenstelsel die op 6 juli 2015 aan de Tweede Kamer is gestuurd.

Nationale Pensioendialoog

In de hooflijnennotitie is het kabinet tot een viertal richtinggevende hoofdlijnen gekomen voor een toekomstig pensioenstelsel. In de eerste plaats moeten alle werkenden een toereikend aanvullende pensioen kunnen opbouwen dat wordt afgestemd op de individuele situatie. Daarbij moet een vorm van verplichtstelling voor werknemers worden gehandhaafd. In de tweede plaats gaat de voorlopige voorkeur van het kabinet uit naar een systematiek waarbij alle werknemers binnen een pensioenregeling dezelfde premies blijven betalen, maar een daarmee een pensioenaanspraak opbouwen die afneemt met de leeftijd (degressieve opbouw). De derde hoofdlijn is een nieuwe pensioenovereenkomst gebaseerd op de opbouw van een persoonlijk pensioenvermogen, waarbij risicodeling mogelijk blijft. De sterke aspecten van de bestaande premie- en uitkeringsovereenkomsten worden in een dergelijke overeenkomst gecombineerd. In de laatste plaats dient er meer ruimte te zijn voor maatwerk en keuzemogelijkheden. Daarbij kunnen keuzes wel worden ‘gestuurd’, bijvoorbeeld door gebruik te maken van standaardkeuzes met de mogelijkheid daarvan af te wijken. 

Vier hoofdlijnen

Verder is in de hoofdlijnennotitie aangegeven dat het kabinet ernaar streeft vanaf 2020 de doorsneesystematiek gefaseerd af te schaffen en de overstap te maken naar een systeem van degressieve opbouw (derde hoofdlijn). De ontwikkeling van een nieuw soort pensioenregeling inclusief de mogelijkheden voor keuzevrijheid en maatwerk (derde en vierde hoofdlijn) zou eveneens in 2020 tot resultaat moeten leiden.

Op 18 december 2015 heeft het kabinet een werkprogramma aan de Tweede Kamer gestuurd, waarin is aangegeven welke vraagstukken en oplossingsrichtingen binnen de vier hoofdlijnen zullen worden onderzocht en uitgewerkt. Vóór de zomer van 2016 zal een uitwerkingsnota aan de Tweede Kamer worden gestuurd, waarin een aantal concrete varianten zijn uitgewerkt. Naast het kabinet zijn ook de SER en Netspar bezig met verdere uitwerkingen, waarvan in het voorjaar van 2016 naar verwachting de eerste resultaten zullen verschijnen.