Reactie van TKP op de ondernemingsraad en pensioen.

Reactie van TKP op de ondernemingsraad en pensioen.

TKP maakt graag van de gelegenheid gebruik om te reageren op het “Voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en de Pensioenwet in verband met de bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de beloningen van bestuurders en inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen”. Onze reactie ziet op de aanpassingsvoorstellen inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen.

Wij onderschrijven dat de bestaande regeling ten aanzien van het instemmingsrecht van de ondernemingsraad in de Wet op de ondernemingsraden vragen oproept en dat gesproken kan worden van een lacune als het gaat om wijzigingen van de pensioenovereenkomst die zijn ondergebracht bij ondernemingspensioenfondsen. Als het gaat om rol van de ondernemingsraad bij de premiepensioeninstelling (PPI) is naar onze opvatting overigens geen sprake van onduidelijkheid nu het instemmingsrecht hier in onze optiek zowel ziet op (wijzigingen in) de pensioenovereenkomst als op het voorgenomen besluit om de pensioenovereenkomst bij een PPI onder te brengen. 

De in de memorie van toelichting geconstateerde lacune als het gaat om wijzigingen in de pensioenovereenkomst die is ondergebracht bij een ondernemingspensioenfonds, is in onze visie overigens wel goed verklaarbaar. Bij de introductie van dit instemmingsrecht – onder de werking van de PSW - werd immers geredeneerd dat ingeval de pensioenregeling is ondergebracht bij een pensioenfonds, het primaat voor het wijzigen bij het paritaire pensioenfondsbestuur ligt. Een instemmingsrecht zou dan leiden tot “dubbele medezeggenschap”, omdat in het paritaire bestuur ook de werknemers vertegenwoordigd zijn.

Wijzigingsbevoegdheid bij pensioenfondsbestuur

Omdat het ook onder de werking van de Pensioenwet zo kan zijn dat de wijzigingsbevoegdheid bij het pensioenfondsbestuur ligt, is het naar onze mening gewenst om in de toelichting
uitgebreider dan nu in te gaan op deze situatie en op de vraag waarom het wenselijk is om ook hier een instemmingsrecht te verlenen aan de ondernemingsraad en op de mogelijkheid en wenselijkheid van samenloop van medezeggenschap in dit verband. Daarbij zou ook aandacht besteed kunnen worden aan de in de praktijk voorkomende situatie waarbij werknemersvertegenwoordigers in het bestuur worden voorgedragen door de (centrale) ondernemingsraad.

In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het ontbreken van de instemming van de ondernemingsraad bij toerekening van het wijzigingsbesluit van het fondsbestuur aan de ondernemer, ertoe leidt dat de werkgever de uitvoeringsovereenkomst met de pensioenuitvoerder moet aanpassen. Een nadere toelichting hierop en op de vereiste
aanpassing is naar onze mening gewenst.

Onderbrengingsplicht

Er kan volgens ons nog onduidelijkheid bestaan bij de precieze rol van de ondernemingsraad als het gaat om het besluit van de werkgever om de pensioenovereenkomst bij een bepaalde pensioenuitvoerder onder te brengen (artikel 23 Pw). Geredeneerd kan worden dat het hier niet gaat om de “vaststelling van een regeling met betrekking tot een pensioenovereenkomst”, omdat het onderbrengen van de pensioenovereenkomst bij een pensioenuitvoerder als zodanig niet de inhoud van arbeidsvoorwaarde pensioen raakt. Bovendien wordt in het voorgestelde artikel 31f van de WOR bepaald dat de werkgever verplicht is de ondernemingsraad te informeren over het vaststellen van de uitvoeringsovereenkomst. Een dergelijke bepaling zou naar onze mening overbodig zijn als de ondernemingsraad al een instemmingsrecht zou hebben ten aanzien van het voorgenomen besluit om de pensioenovereenkomst bij een bepaalde uitvoerder onder te brengen.

Niettemin kan de voorgestelde tekst door het gebruik van het woord “regelingen” deze vraag  oproepen omdat, zoals in de artikelsgewijze toelichting bij het concept wetsvoorstel wordt aangegeven onder “regeling” zowel de pensioenovereenkomst als de uitvoeringsovereenkomst wordt verstaan. Deze onduidelijkheid kan volgens ons worden weggenomen door de tekst op dit punt aan te passen door de woorden “regelingen met betrekking tot een pensioenovereenkomst” te vervangen door: “een voor alle werknemers, of een groep van werknemers geldende pensioenovereenkomst”. Met het woord “regeling” was dit oorspronkelijk ook bedoeld. Deze aanpassing hoeft in onze optiek overigens niet te betekenen dat er geen basis meer zou bestaan op grond waarvan de ondernemingsraad een instemmingsrecht kan hebben bij wijzigingen in de uitvoeringsovereenkomst die invloed hebben op de inhoud van de pensioenovereenkomst (zie hierna).

Artikel 23 vierde lid Pw maakt duidelijk dat ten aanzien van het voorgenomen besluit om de pensioenovereenkomst onder te brengen bij een premiepensioeninstelling (PPI) , de
ondernemingsraad instemmingsrecht heeft. Dit zou verklaard kunnen worden vanuit de bijzondere positie van de PPI, waarin alleen premieregelingen uitgevoerd kunnen worden. Het onderbrengen van pensioenovereenkomst bij een PPI heeft aldus direct gevolgen voor de inhoud van die pensioenovereenkomst.

Wij gaan ervan uit dat door het vervallen van artikel 23 vierde lid er geen instemmingsrecht geldt ten aanzien van het voorgenomen besluit om de pensioenovereenkomst onder te brengen bij een PPI. Het instemmingsrecht geldt ten aanzien van het onderbrengen bij een pensioenuitvoerder immers uitsluitend ingeval de pensioenovereenkomst wordt ondergebracht bij een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of bij een verzekeraar met zetel buiten Nederland (het nieuwe zevende lid van artikel 27 WOR). Het verdient naar onze mening aanbeveling om dit explicieter op te nemen in de memorie van toelichting.

Rol OR bij opzegging van de uitvoeringsovereenkomst

De voorgestelde wettekst spreekt over de benodigde instemming bij elk voorgenomen besluit met betrekking tot “intrekking […….] van regelingen met betrekking tot een pensioenovereenkomst”. Onduidelijkheid kan bestaan over de vraag welke rol de ondernemingsraad heeft bij de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst. Nu met de
opzegging van de uitvoeringsovereenkomst, de pensioenovereenkomst niet eindigt, ligt het volgens ons voor de hand dat het instemmingsrecht niet ziet op de situatie waarin de
uitvoeringsovereenkomst wordt opgezegd. De hierboven voorgestelde tekst die zich toespitst op de pensioenovereenkomst, zou naar onze mening deze onduidelijkheid kunnen wegnemen.

Informatieplicht ondernemer en mogelijk instemmingsrecht OR bij uitvoeringsovereenkomst

Het voorgestelde artikel 31f WOR bepaalt dat de ondernemer de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk informeert over elke voorgenomen vaststelling, wijziging of intrekking van een uitvoeringsovereenkomst. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat ingeval het voorgenomen besluit de arbeidsvoorwaarde pensioen duidelijk raakt, de ondernemingsraad een instemmingsrecht heeft. Dit roept bij ons een aantal vragen op:

  1. Geldt deze verplichting ook ingeval de pensioenovereenkomst het resultaat is van caoonderhandelingen?
  2. Hoe verhoudt het instemmingsrecht van de ondernemingsraad zich op dit punt met het goedkeuringsrecht van het belanghebbendenorgaan bij een APF of een ondernemingspensioenfonds met een onafhankelijk bestuur? En met het adviesrecht van het verantwoordingsorgaan bij een pensioenfonds met een paritair samengesteld bestuur? Ook hier zou uitgebreider ingegaan kunnen worden op de vraag waarom het wenselijk is om ook hier een instemmingsrecht te verlenen aan de ondernemingsraad en op de vraag van een mogelijke samenloop van medezeggenschap.
  3. Het voorgestelde artikel spreekt over “vaststelling, wijziging, of intrekking”. De artikelsgewijze toelichting spreekt in de eerste zin echter alleen over een informatieplicht in het kader van een voorgenomen wijziging van de uitvoeringsovereenkomst. Dit roept de vraag op of een werkgever die een uitvoeringsovereenkomst aangaat met een pensioenfonds de verplichting heeft de ondernemingsraad daarover te informeren en of hier een instemmingsrecht van de ondernemingsraad uit voort kan vloeien vanwege “een aspect uit de uitvoeringsovereenkomst, dat de arbeidsvoorwaarde pensioen raakt”.
  4. Zoals hierboven aangegeven lijkt het niet voor de hand te liggen dat de ondernemingsraad een instemmingsrecht heeft op grond van lid 1 van artikel 27 WOR ingeval de werkgever de uitvoeringsovereenkomst opzegt, maar de pensioenovereenkomst niet eindigt. Ook hier rijst niettemin de vraag of de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst als zodanig kan leiden tot een instemmingsrecht van de ondernemingsraad en wanneer dit “de arbeidsvoorwaarde pensioen direct raakt”.

Overwogen zou kunnen worden een bepaling in de Pensioenwet op te nemen met de strekking dat in de uitvoeringsovereenkomst opgenomen bepalingen met een arbeidsvoorwaardelijk karakter die van directe invloed zijn op de te verwerven pensioenaanspraken uit hoofde van de pensioenovereenkomst, geacht worden onderdeel uit te maken van de pensioenregeling. Hierdoor is het niet nodig het woord “regeling” in artikel 27 WOR te hanteren als basis voor het instemmingsrecht voor arbeidsvoorwaardelijke aspecten die zijn opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst.

Onduidelijkheid gevolgen arbeidsvoorwaarde pensioen

Ten slotte merken wij op dat gemakkelijk onduidelijkheid of verschil van inzicht kan ontstaan over de vraag of een bepaalde wijziging van de uitvoeringsovereenkomst de arbeidsvoorwaarde pensioen direct en duidelijk raakt. Teneinde hierover getouwtrek en gerechtelijke procedures te voorkomen, verdient het aanbeveling om in de memorie van
toelichting hieraan meer richting te geven, bijvoorbeeld door op te nemen welke bepalingen in de uitvoeringsovereenkomst als bepalingen met een arbeidsvoorwaardelijk karakter kunnen worden beschouwd.