Pensioenstelsel op de schop, wat nu?

Pensioenstelsel op de schop, wat nu?

Hoogleraar Pensioenrecht Erik Lutjens vindt dat in de discussie over het nieuwe stelsel nog veel te veel geschermd wordt met onduidelijke begrippen. Hij pleit voor helderheid. "Het reële contract is feitelijk niets anders dan de al bestaande premieovereenkomst."

‘Een onzeker pensioen is onvermijdelijk’

Nieuwe contractvormen, tegengestelde belangen van jongeren en ouderen, de juridische complicaties van het invaren van een nieuw contractvorm: discussies in de pensioenwereld waren nog nooit zo complex. En begrippen nog nooit zo onduidelijk. Hoogleraar pensioenrecht Erik Lutjens (Vrije Universiteit Amsterdam) geeft zijn – af en toe ontnuchterende – visie.

Het huidige pensioenstelsel is onhoudbaar, lijkt de wijd verspreide mening sinds Goudswaard. Bent u het daarmee eens?

“Dat het huidige stelsel niet toekomstbestendig is, is inderdaad een breed gedragen opvatting. Ook door mij. Overigens werd dat al duidelijk toen de ingediende herstelplannen bij DNB in de jaren na 2008 – na de crisis op de financiële markten – niet haalbaar bleken binnen de gestelde termijn van drie jaar. Toen in 2010 de financiële situatie stabiliseerde kwam er een nieuw aspect bij: de toegenomen levensverwachting. Wanneer uitkeringsgerechtigden langer leven, dan zal daar extra geld voor gereserveerd moeten worden. En dat terwijl vanuit de Pensioenwet de eis wordt gesteld dat pensioenen met 105% gedekt moeten zijn – en dat is nog zonder de indexatie mee te nemen. Harde nominale verplichtingen zullen daardoor steeds lastiger te garanderen zijn, als je de onrust in de financiële markten ziet en nu ook nog de onrust in de EU-zone. Met al die onzekerheden is het niet meer realistisch om pensioenfondsen te vragen om hun financiële opzet in te richten op een harde uitkeringsgarantie en een dekkingspercentage van 105%. Van werkgevers kun je niet blijven vragen om bij te storten: het gaat om zulke grote bedragen, dat is niet meer op te brengen. Het is dus logisch om na te denken over een ander stelsel, met pensioenen die niet meer zeker zijn.”

En hoe logisch is in dat licht de hoofdlijnennotitie van Kamp?

“In die hoofdlijnennotitie zie ik twee belangrijke zaken terugkomen. Allereerst dat de keuze voor de inrichting van het aanvullend pensioen aan de sociale partners is. Niét aan de overheid. Logisch, want het pensioen is een arbeidsvoorwaarde, een zaak tussen werkgever en werknemer. Of, in ons collectieve stelsel, tussen werkgeversorganisaties en vakbonden. Toch wacht iedereen nu op plannen en uitwerkingen van de overheid. Een tweede punt in die hoofdlijnennotitie is een uitwerking van iets dat aanhaakt op een standpunt van de STAR, de introductie van een nominaal en een reëel contract. Onduidelijke termen, die staan – voor zover ik het kan overzien – voor een zekere en een onzekere pensioenuitkering. In de discussie hierover wordt enorm geschermd met begrippen, wat de discussie er niet helderder op maakt. Het reële contract is volgens mij niets anders dan een premiepensioen of premieverzekering – een contract waarmee wordt belegd en waarbij de pensioenaanspraken en -uitkeringen afhankelijk zijn van de situatie op de financiële markten. In een dergelijk pensioen voorziet
de Pensioenwet al. Met de premieovereenkomst. Een nieuwe contractvorm is helemaal niet nodig.”

Het reële contract is dus overbodig, omdat de Pensioenwet al voorziet in de premieovereenkomst. Kunnen bestuurders van fondsen die premieovereenkomst dan zo inzetten?

“Ja hoor, er is zelfs al een bedrijfstakpensioenfonds dat dit doet. Overigens is er wel één verschil met het
reële contract, een element dat ook in de premieovereenkomst terug zou moeten komen: het element
van de uitgestelde tijd. Pakken rendementen negatief uit, dan heeft dat in de huidige contracten direct consequenties voor de hoogte van de pensioenaanspraken. Beter is het om tegenvallers op de financiële
markten weg te kunnen middelen zodra de markt zich weer herstelt. Een dergelijke toepassing van de premieovereenkomst vraagt overigens wel een wijziging van de Pensioenwet – de mogelijkheid tot
wegmiddelen zit er nu nog niet in. Maar verder kan deze overeenkomst wel zo ingezet worden.”

Daarvoor moeten dan waarschijnlijk wel eerst de oude rechten ‘ingevaren’ worden in de nieuwe overeenkomst?

“Nee, dat hoeft niet per se. Met ‘invaren’, dat overigens geen juridische term is, wordt bedoeld dat de rechten van het oude contract door waardeoverdracht overgeheveld worden naar het nieuwe contract. Alle oude pensioenaanspraken gaan daarmee dus ook onder de nieuwe regels vallen. Vaar je de oude nominale rechten in in het nieuwe contract – of het nou de premieovereenkomst is of een reëel contract – dan betekent het dat ook die nominale rechten onzeker zijn geworden.”

“Hoewel niet strikt noodzakelijk, is invaren wel wenselijk. Dat is niet alleen mijn mening, maar ook die van – bijvoorbeeld – de STAR. Want wanneer een pensioenfonds twee soorten contracten heeft – nominaal en reëel – dan profiteren de nominale deelnemers onevenredig veel van de reële deelnemers. Dat komt door het verbod op ‘ringfencing’: het verbod op het aanleggen van hekwerken tussen financiële voorzieningen van twee verschillende pensioenregelingen. Tekorten in het nominale deel zullen
zonder een dergelijk hekwerk dan uit het reële deel gehaald worden. Deze deelnemers hebben tenslotte
geen harde aanspraken. Dat maakt het onwenselijk om niét in te varen. Ook omdat het anders vooral de
jongere deelnemers zijn die slechter af zijn.”

“Het invaren heeft wel twee wettelijke bezwaren. Allereerst mag een wijziging van de pensioenregeling niet zomaar van toepassing worden op bestaande rechten. Hier is een uitzondering op mogelijk: de eerder genoemde waardeoverdracht. Daarmee kun je wel rechten overhevelen. Maar dan is er het tweede bezwaar dat voor een dergelijke wijziging individuele toestemming nodig is. Van elke deelnemer. Vraag je individuele deelnemers echter of zij hun zekere pensioen om willen zetten naar een onzeker  pensioen, dan zullen 9 van de 10 ‘nee’ zeggen. Ik denk dat dit te omzeilen is door in plaats van individuele  toestemming om collectieve toestemming te vragen. Om dit via de sociale partners te spelen. Hier is wel een wetswijziging voor nodig.”

Complexe vragen en maatregelen dus, die we niet kunnen uitstellen.

“Nee, want dan zadel je er een volgende generatie mee op. Wacht je af tot de markten zich vanzelf herstellen en blijf je tot die tijd het nominale contract hanteren, dan schuif je de problemen van nu voor je uit. Dat gaat ten koste van toekomstige uitkeringsgerechtigden, de jongeren.”

Voor welke contractvorm gaan de sociale partners straks kiezen, nominaal of reëel?

“Ik sluit niet uit dat er best nog wel afspraken te maken zijn over een nominaal contract, maar dan niet zo volledig als nu. Wellicht op een beperkter deel van het salaris of de opbouw – het zal een soort samengesteld contract worden, een deel nominaal, een deel reëel. Zeker bij bedrijfstakpensioenfondsen met de comfortabele positie van de collectieve verplichting, is een beperkt nominaal contract nog wel een realistisch scenario. Vakbonden zullen toch strijden voor het behoud van zekerheid van pensioen voor hun leden.”

Had de pensioenwereld niet al veel eerder en transparanter moeten communiceren over de voorwaardelijkheid van indexatie?

“Met de inzichten van nu terugkijkend, ja, dan wel. Helemaal eerlijk is dat natuurlijk niet: de inzichten over communicatie en wat er aan onzekerheden moet worden uitgelegd, zijn enorm veranderd. Pas sinds 2007 zijn fondsen, met de herziening van de Pensioenwet, verplicht om in alle uitingen aan te geven dat indexatie voorwaardelijk is. Daarvoor was er formeel wel sprake van voorwaardelijkheid, maar omdat er bijna altijd geïndexeerd kon worden, kwam het nauwelijks aan de orde. Je kunt de normen van vandaag niet zomaar op
het verleden leggen.”