Pensioeninformatie lijkt exact, maar is het niet

Pensioeninformatie lijkt exact, maar is het niet

Jan van Miltenburg is manager Toezicht op pensioenuitvoerders bij de AFM. Zijn team maakt zich sterk voor heldere communicatie door pensioenuitvoerders. Met als doel: deelnemers ontvangen van hun pensioenuitvoerder begrijpelijke informatie die ze tot de juiste actie aanzet.

Via UPO’s, startbrieven en kortingsbrieven krijgen pensioendeelnemers allerlei cijfermatige en feitelijke informatie over hun pensioen. In het verleden werd automatisch aangenomen dat die informatie ze zou aanzetten tot rationele handelingen. Handelingen waarmee de deelnemers zichzelf zouden verzekeren van een pensioen waar ze later genoeg aan zullen hebben. ‘En dat is een hypothese die niet blijkt te kloppen,’ vertelt Van Miltenburg. ‘Mensen handelen niet rationeel. Wil je deelnemers activeren? Dan zul je ze moeten vertellen óf ze iets moeten gaan doen en zo ja, wat, en waar ze dat kunnen doen.’

Valse zekerheid

Overzichten zoals het UPO suggereren daarnaast een exactheid die niet te garanderen is. ‘Een UPO laat nu een eindbedrag zien met twee cijfers achter de komma. Zeker voor jongere pensioendeelnemers, die nog voor allerlei life events staan, is het onmogelijk te zeggen wat ze straks concreet aan koopkracht in handen krijgen. Het bedrag dat nu op een UPO staat, is maar een nominaal bedrag, totaal niet zeker. Pensioenuitvoerders zouden daarom die twee cijfers achter de komma moeten vervangen door een bandbreedte.’

Risicogroepen

Jongere pensioendeelnemers – 40-minners – hebben weinig inzicht in hun pensioen. Logisch, want voor hen duurt het nog lang voordat hun pensioen start. In die tijd kan er nog veel gebeuren. Maar zij vormen niet de enige groep die de hoogte van het pensioen niet kent én dus een risicogroep is. Van Miltenburg: ‘Feitelijk zijn dat alle mensen die niet weten wat straks de werkelijke koopkracht van hun pensioen is. Iemand die een pensioen op basis van een DC-regeling heeft, kan nog vlak vóór zijn of haar oudedag ineens geconfronteerd worden met een enorm financieel tekort. Als gevolg van het marktrisico zoals tegenvallende beleggingen.’

‘Pensioenuitvoerders zouden vaker mogen waarschuwen. En dat gaat veel verder dan een UPO sturen. Het betekent financiële data relevant maken voor deelnemers. Uitvoerders zijn daar nu heel terughoudend in. Ze zijn bang als adviseur aangemerkt te worden en dat ze volgens de Wft vergunningsplichtig zouden worden. Maar daar hoeven ze echt niet bang voor te zijn. Het gaat om het geven van inzicht in de data en een heldere uitleg over keuzemogelijkheden.’

Pensioendashboard

Om pensioendeelnemers te activeren, is het bieden van handelingsperspectief cruciaal. Van Miltenburg: ‘Het huidige pensioenregister zouden we graag een vervolg zien krijgen in de vorm van een pensioendashboard: een digitaal portaal waarin alle financiële gegevens voor de oudedag te vinden zijn. Dus ook de lijfrente, AOW-uitkering of nabestaandenuitkering. Zo’n dashboard zou bovendien – wanneer de maatschappij dat tenminste wil – volautomatisch en by default waarschuwingen moeten kunnen sturen. Duidelijke aanwijzingen zijn ontzettend belangrijk, want onduidelijkheid werkt wantrouwen in de hand, zeker bij een jongere generatie. En dat zet het hele pensioenstelsel onder druk.’

Oneerlijk

Nu is dat wantrouwen bij de jongere generatie al behoorlijk groot. Zo zou de doorsneepremie ouderen bevoordelen. Van Miltenburg: ‘Het idee achter de doorsneepremie is goed. Solidair, zelfs. Iedereen draagt hetzelfde bij. De eerste helft van je werkzame leven betaal je daardoor te veel, het tweede deel van je werkzame leven te weinig. Zolang mensen hun hele leven hun pensioen onderbrengen in dezelfde bedrijfspensioentak is dat geen probleem. Maar dat is nu niet altijd meer zo. En dat zorgt voor een groeiende ongelijkheid.’

‘Pensioenuitvoerders zwijgen daarover. En nee, wij willen niet het bestaande pensioenstelsel opblazen en iedereen de DC-regeling in jagen. Wij willen dat er een openbare discussie komt over die basisveronderstellingen. Het debat lijkt nu vooral plaats te vinden in de technische periferie – zoals met onderwerpen als de rekenrente – maar feitelijk gaat het over heel wezenlijke en fundamentele vragen. Wat hebben we voor elkaar over? Hoe solidair willen we nog zijn? Een discussie die in het openbaar moet worden gevoerd.’