Nieuwe wetgeving stelt limiet aan toezichthoudende functies

Nieuwe wetgeving stelt limiet aan toezichthoudende functies

De Wet bestuur en toezicht stelt beperkingen aan het aantal toezichthoudende functies. Welke zijn dat? En welke gevolgen hebben ze voor pensioenfondsen?

De Wet bestuur en toezicht zou in eerste instantie per 1 januari 2012 in werking treden. Dit bleek echter niet haalbaar. Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie heeft nu aangegeven dat de nieuwe streefdatum 1 juli 2012 is.

Een belangrijk onderdeel van deze wet behelst de limitering van het aantal toezichthoudende functies voor bestuurders (maximaal twee en geen voorzitterschap) en commissarissen (maximaal vijf, voorzitterschap telt dubbel) van grote NV's, BV's en stichtingen, bij andere grote NV's, BV's en stichtingen. Achtergrond van de nieuwe wetgeving is met name het voorkomen van belangenverstrengeling en het doorbreken van het ‘old boys network’.

Een beknopt overzicht van de nieuwe wetgeving

  • De regeling heeft betrekking op een N.V., B.V. of stichting die voldoet aan twee van de volgende drie criteria:
    1. de waarde van de activa bedraagt volgens de balans met toelichting op de grondslag van verkrijgings- en vervaardigingsprijs meer dan 17,5 miljoen euro;
    2. de netto-omzet over het boekjaar bedraagt meer dan 35 miljoen euro;
    3. het gemiddeld aantal werknemers over het boekjaar bedraagt 250 of meer.

    Een pensioenfonds voldoet doorgaans aan de criteria (premievolume telt als omzet). Alleen in de liquidatiefase is dit vermoedelijk anders. Op andere rechtsvormen dan de hier genoemde is de regeling niet van toepassing.
     
  • Een persoon kan geen bestuurder zijn van een grotere vennootschap of stichting als hij gelijktijdig twee of meer toezichthoudende functies bekleedt bij een dergelijke rechtspersoon.
  • Een persoon kan maximaal vijf toezichthoudende functies bekleden bij een grotere vennootschap of stichting.
     
  • Onder toezichthoudende functie wordt hier verstaan het lid zijn van een toezichthoudend orgaan dat bij de statuten van een grotere vennootschap of stichting is ingesteld. Bij het tellen van de toezichthoudende functies telt de rol van voorzitter van een toezichthoudend orgaan bij een grotere vennootschap of stichting dubbel. Omdat het hier om een orgaan moet gaan, telt een functie in een visitatiecommissie van een pensioenfonds niet mee.
     
  • Een toezichthoudende functie in een groepsmaatschappij telt niet mee bij de beoordeling of iemand tot bestuurder of toezichthouder benoemd kan worden. Artikel 2: 24b van het Burgerlijk Wetboek hanteert de volgende definitie: “Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden.”
     
  • Het voorschrift heeft niet meteen (op de datum van inwerkingtreden van de wet) gevolgen voor de zittende bestuurder of toezichthouder. Lidmaatschap van bestuur of toezicht boven de door deze wet, gestelde normen die bestaan vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet mogen in tact blijven. Bestuurders en toezichthouders die bij inwerkingtreden van de wet teveel functies bekleden, worden dus niet gedwongen op dat moment één of meerdere functies neer te leggen. Bij herbenoeming geldt de nieuwe wet.

Gevolgen Wet bestuur en toezicht

De Stichting van de Arbeid (STAR) heeft zich gebogen over de implicaties van de nieuwe wetgeving voor de pensioensector. De STAR is daarbij tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is om voor de pensioensector een eigen regeling te realiseren en heeft dat aan minister Opstelten voorgesteld. Dit vanuit de gedachte dat pensioenfondsen in het kader van het wetvoorstel Versterking bestuur pensioenfondsen in toenemende mate een beroep zullen gaan doen op externe deskundige personen, zowel voor besturen als voor het interne toezicht. Zo moet voorkomen worden dat er onvoldoende deskundige personen beschikbaar zijn om vacatures te vervullen. De STAR verwijst daarbij naar de brief van 12 oktober 2011 van de Pensioenfederatie aan minister Opstelten, waarin een alternatief voorstel is opgenomen met minder vergaande beperkingen.