Hoogleraar Theo Kocken pleit voor een eerlijker contract

Hoogleraar Theo Kocken pleit voor een eerlijker contract

Hoogleraar Risk Management Theo Kocken plaatst vraagtekens bij de keuze voor een nieuw contract.

‘Verreweg het grootste deel pensioenfondsen kiest voor nominaal contract’

De publicatie van de Hoofdlijnennota herziening FTK zorgde voor een nieuwe ronde discussies binnen de pensioenwereld en daarbuiten. Het beoogde FTK biedt keuze uit twee contractsvormen: nominaal en reëel.
Maar wat levert die keuze op? Hoogleraar Risk Management Theo Kocken plaatst zijn vraagtekens.

Is de komst van een reëel contract – als alternatief naast een vernieuwd nominaal contract – een belangrijke stap naar een eerlijk en houdbaar pensioenstelsel?

“Nee, eerlijk gezegd niet. Zoals het er nu naar uitziet, kiest verreweg het grootste deel van de pensioenfondsen voor het nominale contract. Zij vinden het reële contract veel te complex en zien veel haken en ogen bij het invaren. Ik vind dat goed te begrijpen. Maar als iedereen in een nominaal contract in haar huidige vorm blijft, schieten we per saldo weinig op.”

Zijn de aanpassingen van het nominale contract dan geen verbetering?

“Het nieuwe contract is wel iets beter dan het huidige. De staffel voor indexatie biedt duidelijkheid over wat er moet gebeuren bij een overschot. Een goede stap, maar het nominale contract is nog verre van compleet. Terwijl het debat nu vooral gaat over het reële contract. Als je ziet dat in de praktijk weinig pensioenfondsen
over willen, dan is het verstandiger meer aandacht te besteden aan een beter nominaal contract.”

Is het reële contract echt zo complex?

Het CPB heeft een goed onderzoek gedaan naar de effecten voor een modelfonds van de overgang naar een reëel contract. Over dat onderzoek hebben ze een half jaar gedaan, met als uitkomst een complex geheel van plussen en minnen. Als het CPB voor zo’n onderzoek met een modelfonds al een half jaar nodig heeft, dan kun je van individuele ondernemingspensioenfondsen niet verwachten dat zij goed uit de keuze komen en ‘generatieneutraal’ overstappen.”

Zwart-wit gesteld zegt u dat we straks twee contracten hebben, waarvan de één niet goed is en de ander te complex. Maar het pensioenvraagstuk blijft. Wat moet er volgens u nu gebeuren?

"Ik pleit voor een beter nominaal contract, dat een reëel contract overbodig maakt zolang we geen inflatiegerelateerde producten hebben. Dit is, verwacht ik, ook de volgende stap in het proces is. Het nominaal contract kan beter als we ons concentreren op het eerlijk versleutelen van de pijn, in plaats van de pijn ontkennen. Dat laatste gebeurt nu nog te veel. Neem de discussie over de dekkingsgraad. Sommigen doen alsof er geen probleem is, terwijl ouderen én jongeren best begrijpen dat er een probleem is. Als het eerlijk gaat, willen ze heus wel inleveren. Ook de meeste pensioenfondsen vinden nu dat er iets moet gebeuren en beseffen dat een eerlijke verdeling van de pijn over generaties de crux is.  Ondernemingspensioenfondsen mogen zich op dit onderwerp meer in het publieke debat mengen.”

Hoe kan het eerlijker?

“Als we ons nu te rijk rekenen, is dat nadelig voor jongeren. We moeten dan ook geen kunstgrepen toepassen om via de dekkingsgraad de pijn op korte termijn te verzachten. Tegelijk is het naar ouderen oneerlijk dat we bij een tekort in drie jaar tijd afstempelen. Die schok is te groot ineens en niet eerlijk als je nagaat dat overschotten over 10-12 jaar worden uitgedeeld. Mijn voorstel: smeer in het nominale contract bij een te lage dekkingsgraad de korting over een periode van tien jaar uit, maar verwerk die 10-jarige afstempeling wel direct in de pensioenaanspraken. De pijn is dan direct verwerkt. Als je tegelijk de berekening van de dekkingsgraad eerlijk houdt, heb je een regeling die voor ouderen en jongeren acceptabel is. Het septemberpakket is daarin een kleine stap op de goede weg. Denk aan de  verbeteringen van de UFR-aanpak, het onvoorwaardelijk maken van de afstempeling en de mogelijkheid dit iets langer uit te smeren. Wordt de UFR bovendien objectief bepaald, aan de hand van de werkelijke economische toestand, en gaat het maximum afstempelen per jaar verder naar beneden, dan ben ik nog iets optimistischer.”

U legt veel nadruk op het belang van een generatieneutraal stelsel. Ook in uw commentaren en publicaties. Waarom?

“Ons pensioenstelsel is en blijft gebaseerd op het principe van collectiviteit. Maar jongeren kijken heel kritisch naar wat er nu gebeurt, getuige een site als pensioenopstand.nl. Jongeren vinden dat ouderen
al teveel voordeel hebben, bijvoorbeeld in de vorm van de doorsneepremie en de VUT-regeling. Als zij zich bij de nieuwe pensioenvoorstellen weer benadeeld voelen, dan komt de collectiviteit en daarmee de houdbaarheid van ons pensioenstelsel onder onhoudbare druk. Jongeren laten het systeem klappen als de dekkingsgraad op oneigenlijke gronden omhoog gaat. De CPB-generatiestudies kunnen helpen dit in goede banen te leiden.”