Evaluatie Wet versterking bestuur pensioenfondsen

Evaluatie Wet versterking bestuur pensioenfondsen

Laatst gewijzigd op 26 maart 2018

Met de ‘Wet versterking bestuur pensioenfondsen’ (Wvbp) is per 1 juli 2014 de Pensioenwet aangepast, waar het gaat om de regels die gaan over de ‘governance’ bij pensioenfondsen, oftewel de interne organisatie, de organen van pensioenfondsen, hun samenstelling en hun bevoegdheden. Bij de parlementaire behandeling is afgesproken dat er drie jaar na inwerkingtreding een evaluatie van de wet zou plaatsvinden. Die evaluatie is op 8 maart 2018 aangeboden aan de Tweede Kamer, waarbij minister Koolmees in de aanbiedingsbrief op de evaluatie een reactie geeft.

Wet versterking bestuur pensioenfondsen

Mede ingegeven door de financiële crisis van 2008 was het doel van de Wvbp viervoudig:

  • de verbetering van de deskundigheid van het pensioenfondsbestuur;
  • de versterking van het intern toezicht;
  • een adequate vertegenwoordiging van alle risicodragers;
  • de stroomlijning van taken en organen.


Het meest in het oog springende gevolg van de Wvbp is dat er sinds de invoering daarvan voor pensioenfondsen verschillende bestuursmodellen mogelijk zijn. Het bestuur kan ‘traditioneel’ bestaan uit vertegenwoordigers van belanghebbenden, maar sinds de Wvbp ook uit onafhankelijke bestuurders. Afhankelijk van die keuze wordt voor medezeggenschap en verantwoordingstaken een verantwoordingsorgaan of een belanghebbendenorgaan ingesteld. Het intern toezicht wordt uitgeoefend door een visitatiecommissie of een raad van toezicht, maar het is ook mogelijk het intern toezicht te laten uitoefenen binnen het bestuur (one tier), zowel door vertegenwoordigers van belanghebbenden, als door onafhankelijke bestuurders. Deze gecombineerde mogelijkheden leiden tot vijf verschillende bestuursmodellen.

Verder is het intern toezicht versterkt door een raad van toezicht verplicht te stellen voor bedrijfstakpensioenfondsen. Als het intern toezicht bij een ondernemingspensioenfonds wordt uitgeoefend door een visitatiecommissie, dient er jaarlijks een visitatie plaats te vinden. Daarnaast is de vertegenwoordiging van pensioengerechtigden wettelijk geregeld en zijn de geschiktheidseisen aangescherpt.

Evaluatie

De evaluatie laat zien dat veel fondsen aanvankelijk gekozen hebben voor het zogenoemde paritaire model, het model dat het meest lijkt op het model dat de Pensioenwet tot dan toe voorschreef. De nadruk lag met name op het voldoen aan de nieuwe wettelijke eisen. De laatste jaren is echter te zien dan fondsen de mogelijkheden verkennen om verder te professionaliseren. Enkele fondsen kiezen nu alsnog voor een ander bestuursmodel. Ook vult een aantal fondsen met een paritair model het bestuur aan met onafhankelijke leden. De wet biedt voldoende mogelijkheden voor fondsen om te professionaliseren en de governance aan te passen aan de eigen situatie.

Op enkele punten is in de toepassing nog wel verbetering mogelijk. Zo zijn de taak van het verantwoordingsorgaan en de verhouding met de andere fondsorganen niet altijd duidelijk. De minister nodigt fondsen uit de taakverdeling en momenten van taakuitoefening beter door te vertalen naar statuten en reglementen en hierover met elkaar in gesprek te blijven. Een uitbreiding van de wettelijke taken en bevoegdheden acht de minister niet nodig.

In de praktijk blijkt het lastig een vacature voor een bestuurslid namens de pensioengerechtigden te vullen. Dat kan te maken hebben met de zwaarte van de functie of met procedurele belemmeringen, zoals een vereist minimaal aantal handtekeningen. Pensioenfondsen zouden deze procedurele belemmeringen weg moeten nemen. Ook wijst de minister op de mogelijkheid om gebruik te maken van meervoudig stemrecht, zodat de wettelijke zetelverdeling – en daarmee het aantal stemmen - tijdelijk of structureel over minder personen wordt verdeeld. Verdere wetgeving acht de minister ook op dit punt niet nodig.

Ten slotte wordt gewezen op de nog altijd achterblijvende diversiteit in pensioenfondsbesturen, belanghebbendenorganen en verantwoordingsorganen. Vrouwen en personen jonger dan 40 zijn ondervertegenwoordigd ten opzichte van de pensioenfondspopulatie. Pensioenfondsen wordt gevraagd werk te maken van diversiteit, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de Handreiking Vergroting Diversiteit van de Pensioenfederatie.