Een nieuw ftk, een nieuwe toekomst?

Een nieuw ftk, een nieuwe toekomst?

Wat levert het consultatiedocument na een aantal jaar hard werken feitelijk op voor de pensioensector? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, herhalen we eerst de beoogde doelstellingen van het introduceren van het nieuwe contract. Daarna bespreken we de verschillen met de eerder gepubliceerde hoofdlijnennota, de nog bestaande onduidelijkheden, de te maken keuzes en de gewenste oplossingsrichtingen. Door Ugo Hofman, hoofd Actuariaat, TKP Pensioen.

Doelstellingen nieuw pensioencontract

De doelstelling van het opzetten van een nieuw pensioencontract is het oplossen van de onvolkomenheden uit het bestaande pensioencontract. Deze bestaan onder andere uit het voorkomen van stelselmatige, dan wel automatische premieverhogingen (door onder andere renteontwikkelingen en stijgende levensverwachtingen). Daarnaast is beoogd om de zogenaamde beleggingsspagaat op te lossen: fondsen worden op korte termijn afgerekend op het voldoen aan nominale zekerheid, terwijl op lange termijn naar koopkrachtbehoud wordt gestreefd (indexatie-ambitie). Tegelijkertijd moeten deelnemers beter geïnformeerd worden over de pensioenverwachtingen en de manier waarop belangen worden afgewogen. Ten slotte is het doel om de afhankelijkheid van de financiële markten en de daaruit voortkomende financiële schokken op te kunnen vangen en te verdelen over de tijd.

Veranderingen ten opzichte van hoofdlijnennota

Om deze onvolkomenheden op te lossen, zijn via de hoofdlijnennota uit 2012 en het recente consultatiedocument nieuwe beleidsmogelijkheden voor pensioenfondsbesturen geboden. In het consultatiedocument zijn de volgende veranderingen doorgevoerd ten opzichte van de hoofdlijnennota:

  •  Middeling van rente is niet meer mogelijk bij het vaststellen van de premiestelling. Er is dus geen sprake meer van premiedemping.
  • De normdekkingsgraad is verdwenen. Dit was het niveau van de dekkingsgraad waarbij 100% toeslagverlening was toegestaan. Hiervoor in de plaats komt de voorwaarde dat de jaarlijkse hoogte van de toeslag wordt bepaald, indien het eigen vermogen voldoende is om ook in de toekomst deze jaarlijkse toeslag te kunnen toekennen.
  • Voor de spreidingsperiode, zowel voor het aanpassingsmechanisme voor financiële schokken (AFS) als voor het levensverwachtingsaanpassingsmechanisme (LAM), is een minimale duur van drie jaar ingesteld, de maximale duur blijft tien jaar.
  • Indexatie-afslag is gebaseerd op CPB-voorspellingen over de eerste twee jaar met een lineaire groei naar de ECB-inflatiedoelstelling (vanaf jaar tien).
  • Introductie van de nieuwe termen beleidsdekkingsgraad (het voortschrijdend gemiddelde van de actuele dekkingsgraad over twaalf maanden) en reële ambitieovereenkomst (aanduiding van een pensioenovereenkomst die valt onder het reële contract).
  • Vaststellen van de premie voor de komende vijf jaar (reëel contract) en drie jaar (nominaal contract).
  • Introductie van een risicotoets, die meerdere keren per jaar uitgevoerd dient te worden in het geval van reële ambitieovereenkomsten. Het doel is het vaststellen of het feitelijke beleggingsbeleid in overeenstemming is met het strategische beleggingsbeleid.
  • Een minimum vereist eigen vermogen van 1% bij een reëel ambitieovereenkomst.
  • Extra voorwaarden in het kader van het prudent person beginsel.
  • Eis om generatie-effecten in beeld te brengen, voordat een besluit tot invaren genomen mag worden. Ook dienen de juridische implicaties en risico’s onderzocht te worden.
  • In het geval van toepassen van nog niet verwerkte verhogingen of verlagingen, is er een keuzemogelijkheid tussen een open of gesloten systeem:
  • Een open systeem betekent dat verhogingen en verlagingen ook worden toegepast op toekomstige opbouw, naast de dan geldende aanspraken.
  • Een gesloten systeem betekent dat verhogingen en verlagingen alleen worden toegepast op de dan geldende opgebouwde aanspraken.

Nog bestaande onduidelijkheden & keuzes

Opvallend is dat essentiële onderdelen van het nieuwe kader nog niet zijn ingevuld. Eén van de meest belangrijke elementen is de concretisering van de haalbaarheidstoets. Dit maakt het immers mogelijk voor sociale partners en fondsbestuurders om vast te stellen of de afgesproken ambitie en zekerheid ook in het nieuwe kader binnen de wettelijk gestelde eisen vallen. Daarnaast wordt een nieuwe toets geïntroduceerd, de zogenaamde risicotoets. Deze toets bepaalt aan welke randvoorwaarden het vorm te geven beleggingsbeleid moet voldoen in het reële contract. Ook ontbreken een concrete invulling van het prudent person beginsel en de verdere invulling van de te hanteren parameters, scenario’s en concretisering van geüniformeerde rekenmodellen en technieken. Daarnaast komen er nog nadere voorwaarden waaraan communicatie met deelnemers moet voldoen. Tot slot kan een evaluatie van de Ultimate Forward Rate nog aanleiding zijn om deze te zijner tijd aan te passen.

Keuzes
Sociale partners en fondsbestuurders krijgen daarbij een veelheid aan keuzemogelijkheden voorgelegd:

  • Wel of niet invaren op de opgebouwde aanspraken?
  • Welke spreidingsperiode is passend? Verschillende keuze voor AFS en LAM?
  • Welke ambitie en zekerheid is haalbaar?
  • Welk beleggingsbeleid is passend bij het na te streven doel van ambitie en zekerheid?
  • Wat wil de deelnemer?
  • Op welke manier dient korting te worden toegepast en in welke mate?
  • Op welke manier kan evenwichtige belangenbehartiging het best getoetst worden?
  • Hoe brengen we generatie-effecten in beeld en hoe is dat bepalend voor de te maken keuze?
  • Hoe kunnen juridische risico’s in kaart gebracht worden?
  • Kiezen voor een egalisatiereserve of niet?
  • Kiezen voor een open of gesloten systeem?
  • Dienen oude rechten omgezet te worden naar de nieuwe pensioenleeftijd of niet?
  • Hoe om te gaan met huidige compensatieregelingen?
  • Hoe om te gaan met de huidige opgelopen inhaalindexatie?
  • Nog handhaven van een bijstortverplichting en extra herstelpremie?
  • Hoe om te gaan met spaarkapitalen opgebouwd binnen huidige DC-regelingen of hybride regelingen?
  • Is een timing van overgang op een nieuw contract, dus later voor het reële contract kiezen een optie?
  • Is de startdekkingsgraad bepalend voor de overgang naar een nominaal of reëel contract?
  • Is elke optie of keuze ook uitvoerbaar en uitlegbaar?

Het consultatiedocument en de daaruit voortvloeiende keuzemogelijkheden voor sociale partners en pensioenfondsbesturen bestaan dus uit veel onzekerheden. De implementatie om over te gaan op het nieuwe contract neemt in de meeste gevallen negen tot twaalf maanden in beslag en dat maakt de uitdaging alleen maar groter. Kortom, het huidige voorontwerp heeft in twee jaar tijd niet aan duidelijkheid gewonnen en laat essentiële vraagstukken nog steeds ter invulling open.

Streven naar een gewenste tussenvorm of nieuw contract

De introductie van het nominale contract en het reële contract leidt niet tot het realiseren van de eerder geformuleerde doelstellingen.

Zo blijft de premie ook in het nieuwe stelsel nog steeds sterk afhankelijk van de te hanteren rekenrente en daarmee nog steeds volatiel, ondanks het middelen over drie of vijf jaar. De huidige premie kan alleen maar omlaag door een zeer sterke (fiscale) pensioenversobering toe te passen bij de introductie van het nieuw pensioencontract. Overigens is het dan, gezien de huidige dekkingsgraden van pensioenfondsen, nog te bezien of de feitelijk te betalen premie wel de gewenste daling oplevert, zoals door het kabinet in het regeerakkoord is voorzien.

Daarnaast is het opvallend dat één van de grootste uitdagingen van het pensioenfonds, de steeds stijgende levensverwachting, als een keuze aan het bestuur wordt voorgelegd om dit wel of niet direct door te laten werken op de opgebouwde rechten. Ook het handhaven van de herstelplannen binnen het nominale contract maakt het lastig voor fondsbesturen om de financiële schokken op een evenwichtige wijze over de generaties te kunnen verdelen.

Ook de beleggingsspagaat wordt in het nieuw kader niet opgelost. Bij het nominale contract wordt door alle extra zekerheden het streven naar koopkrachtbehoud bijna met zekerheid niet meer mogelijk. Bij het reële contract wordt door het streven naar een vaste toekenning van de prijsinflatie óf teveel risico genomen óf een onmogelijke opdracht aan besturen meegegeven.

Het is dan niet verwonderlijk dat binnen de sector de roep om een tussenvorm is ontstaan. Deze tussenvorm moet het mogelijk maken om de voordelen van beide contracten te combineren. Het ligt daarbij voor de hand om bij de tussenvorm zo weinig mogelijk keuzes aan het bestuur en sociale partners voor te leggen.

Aandachtspunten voor de gewenste tussenvorm

Via de brief van de staatssecretaris kreeg de sector de uitdaging voor het bedenken van een tussenvorm. Aan welke verbeterpunten zou een tussenvorm bij voorkeur moeten voldoen om de problemen het hoofd te kunnen bieden?

Aanvulling op het nominaal kader
Ten eerste kan een tussenvorm gevormd worden als aanvulling op het nominaal kader. Een nominaal kader komt eerder tegemoet aan het zekerstellen van een minimaal pensioenvooruitzicht. De daarbij gehanteerde zekerheidsmaat en waardering kunnen op de huidige maatstaf gebaseerd blijven. Dit is 97,5% zekerheid en een waardering op marktbasis. Het voorstel is dan de buffereis alleen te laten gelden voor de nominale opbouw (en opgebouwde rechten voor 1 januari 2015) en niet op de toegekende indexaties vanaf 1 januari 2015.

Op deze manier kan een onderscheid worden gemaakt tussen harde rechten (nominale inkoop) en de zachte rechten (toegekende indexaties). Hierbij blijven de zachte rechten ook na toekenning nog steeds een vorm van voorwaardelijkheid kennen. Toegekende indexaties over de ingegane en opgebouwde rechten worden wel in de voorziening opgenomen om de actuele dekkingsgraad vast te stellen.

Opvangen van financiële schokken
Om financiële schokken ook in het nominale contract beter te kunnen opvangen, kan bij een dekkingsgraad lager dan de minimum vereiste dekkingsgraad, onderdekking in een vaste termijn van tien jaar worden opgeheven. Dit betekent wel ieder jaar overgaan tot korting, maar de hoogte van de korting kan dan beperkter uitvallen. Positieve resultaten dienen standaard eerst verrekend te worden met de nog bestaande tekorten, maar cumulatie van negatieve tegenvallers dienen binnen de resterende duur van tien jaar opgelost te worden. Hierbij moet de korting eerst volledig worden verhaald op het zachte deel, daarna op het harde deel.

Herstelkracht dient voorrang te hebben tot een dekkingsgraad van circa 110%, waarna een toeslag ook verleend kan worden op basis van een staffel conform de afgesproken ambitie. De jaarlijkse volledige toeslagtoekenning kan pas plaatsvinden als er voldoende eigen vermogen is om dit ook in de toekomst geheel te financieren onder aftrek van de te bepalen minimale buffereis. Het streven blijft om binnen 15 jaar door middel van een langetermijnherstelplan op de vereiste buffer uit te komen voor het nominaal toegezegde pensioendeel.


Aanpassing levensverwachting
Omdat de ontwikkeling van de levensverwachting in principe elke generatie op een vergelijkbare manier beïnvloedt, zou het LAM verplicht moeten worden voorgeschreven. Dus ook voor de opgebouwde rechten. Om de invaarproblematiek daarbij te verkleinen, zou bij het verplicht stellen van het LAM de toekomstige aanpassingen bijvoorbeeld standaard verrekend kunnen worden met toekomstige indexaties. Dit zou in de toekomst niet meer ingehaald kunnen worden.

Premiestelling
De toeslagambitie wordt uit overrendement gefinancierd en vormt daarmee geen onderdeel van de premiestelling, tenzij sociale partners anders overeenkomen. De prijs van pensioen wordt door de sociale partners vastgesteld en standaard voor de duur van vijf jaar vastgelegd. Om premiestabiliteit te verkrijgen dient de premie bij het afsluiten minimaal gelijk te zijn aan de dan geldende actuariële inkoop, met een solvabiliteitsopslag gelijk aan de dan geldende dekkingsgraad tot maximaal het vereist eigen vermogen.

Ontwikkelingen binnen de gestelde periode van vijf jaar zullen dan nooit mogen leiden tot aanpassing van de premie, maar afhankelijk van de ontwikkeling alleen tot tussentijdse aanpassing van de ambitie van de regeling. Met de vaste periode van vijf jaar voor de premiestelling worden ook de werkgevers geholpen om van de nu geldende IFRS-verplichtingen op de balans van de onderneming af te komen.

Jaarlijks zal de ambitie in de gestelde periode van vijf jaar getoetst worden op haalbaarheid en indien nodig worden aangepast. Dit zal ook als zodanig met de deelnemer jaarlijks worden gecommuniceerd om verwachtingen en realisaties blijvend op elkaar aan te sluiten.

Conclusie

Essentiële onderdelen van het nieuwe kader zijn niet ingevuld. Daarbij lijkt het verstandig om de veelheid aan keuzes aan sociale partners en/of pensioenfondsbesturen te beperken. De markt zou moeten pleiten voor één nieuw contract. Dit contract zou dan de elementen van de bovenstaande aandachtspunten moeten bevatten en de wezenlijke pijnpunten van het huidige contract moeten wegnemen.