DNB toetst fondsdocumenten: een nadere uitleg

DNB toetst fondsdocumenten: een nadere uitleg

De Nederlandsche Bank toetst periodiek de documenten van pensioenfondsen. Op een aantal bevindingen uit deze analyse gaan we in dit artikel dieper in.

De Nederlandsche Bank (DNB) toetst periodiek de documenten van het pensioenfonds op eventuele strijdigheid met de pensioenwet- en regelgeving. Het gaat dan om de statuten, de pensioenreglementen en de uitvoeringsovereenkomst. Voor grote pensioenfondsen gebeurt dat in de regel elk jaar en voor kleine pensioenfondsen eens in de drie jaar.

Pensioenfondsen worden schriftelijk geïnformeerd door DNB over de resultaten van de toetsing, waarbij puntsgewijs de opmerkingen worden weergegeven. Als we de door DNB geconstateerde onvolkomenheden analyseren, dan kan in zijn algemeenheid gezegd worden dat het vaak gaat om zaken die geen directe materiële consequenties voor de pensioenaanspraken van de deelnemer of voor het fonds hebben.

Op een aantal aspecten uit de brieven van DNB wordt hieronder verder ingegaan.

  • In pensioenreglementen zijn er bepalingen, die in de ogen van DNB zo uitgelegd kunnen worden dat de verwerving van pensioenaanspraken direct afhankelijk is van de betaling van de premie. DNB is van mening dat die afhankelijkheid in strijd is met de Pensioenwet: de opbouw van pensioenaanspraken kan uitsluitend afhankelijk zijn van het deelnemerschap en niet van het al dan niet betaald zijn van de premie (de regel ‘geen premie – wel recht’).

    In de pensioenreglementen wordt vaak niet bedoeld om de opbouw van de aanspraken afhankelijk te maken van de premiebetaling en in de praktijk wordt daar meestal ook niet naar gehandeld. Daarom kunnen dit soort bepalingen uit de pensioenreglementen in de regel geschrapt worden, zonder dat dit gevolgen heeft voor de uitvoeringspraktijk, het fonds of de deelnemer.
     
  • In veel pensioenreglementen wordt het recht op arbeidsongeschikt-heidspensioen of de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid niet toegekend als de deelnemer bij aanvang al arbeidsongeschikt was. Het inlooprisico is dan niet gedekt, maar het uitlooprisico meestal wel. Tussen de koepelorganisaties vindt overleg plaats over deze problematiek en waarschijnlijk zal er in de wetgeving opgenomen worden hoe pensioenuitvoerders hiermee om moeten gaan.

    DNB geeft in deze situatie aan dat zij van mening is dat deze uitsluiting in strijd is met de Wet op de medische keuringen en verzoekt het fonds dan meestal om de ontwikkelingen op dit terrein te blijven volgen. Het standpunt van DNB is opvallend, omdat dit in zijn algemeenheid niet wordt onderschreven door de Commissie Gelijke Behandeling die hierover onlangs nog heeft geoordeeld.
     
  • Soms kent het pensioenreglement de mogelijkheid voor de ex-partner om het eigen recht op ouderdomspensioen dat na conversie is ontstaan, zoals bedoeld in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, over te dragen aan een andere pensioenuitvoerder. Dit was onder de werking van de vorige Pensioen- en spaarfondsenwet toegestaan. Onder de werking van de Pensioenwet is dat echter niet meer mogelijk en een pensioenfonds mag daar niet aan meewerken. Het recht op waardeoverdracht is in de Pensioenwet direct gekoppeld aan het hebben van een arbeidsrelatie en/of het wisselen van een arbeidsrelatie.
     
  • Veel pensioenreglementen kennen een bepaling waarin geregeld wordt dat de regeling wordt aangepast, als niet voldaan wordt aan de fiscale wetgeving. DNB merkt daarbij vaak op dat de aanpassing niet mag leiden tot het aantasten van reeds opgebouwde aanspraken. Dit is namelijk strijdig met artikel 20 van de Pensioenwet en DNB vraagt het fonds dan ook daarmee rekening te houden. Artikel 20 van de Pensioenwet bepaalt dat bij een wijziging van de pensioenregeling, de tot het moment van de wijziging opgebouwde pensioenaanspraken niet mogen worden aangetast. In de praktijk zal in een dergelijke situatie aan artikel 20 van de Pensioenwet voldaan worden.
     
  • Soms zijn in uitvoeringsovereenkomsten bepalingen opgenomen, waarin staat dat de gevolgen van het niet juist aanleveren van gegevens door de werkgever aan het fonds, voor rekening komen van de werkgever. DNB merkt in dat geval vaak op dat een dergelijke bepaling strijdig is met artikel 5 van de Pensioenwet. Onjuiste aanlevering van de gegevens mag niet leiden tot een vermindering van het pensioen van de deelnemer.

    Daar kan tegenin worden gebracht dat de bepaling in de uitvoeringsovereenkomst uitsluitend ziet op de verhouding tussen de werkgever en het pensioenfonds en de deelnemer niet raakt. Als zich een dergelijke situatie voordoet, zal het fonds de eventuele schade verhalen op de werkgever.
     
  • Soms wordt in de statuten voor de wijze van benoeming van leden van het verantwoordingsorgaan of van de deelnemersraad verwezen naar de reglementen die voor deze organen zijn opgesteld. DNB vindt dat niet voldoende en is van mening dat uit de statuten zelf moet blijken op welke manier de benoeming plaatsvindt.
     
  • Tot slot heeft DNB regelmatig opmerkingen over de teksten van de zogeheten voorwaardelijkheidsverklaring in fondsdocumenten. Vanaf 1 januari 2011 is het niet langer de Autoriteit Financiële Markten (AFM), maar DNB bij wie de toets op de voorwaardelijkheidsverklaring ligt. Tot 1 januari 2011 was het mogelijk om af te wijken van de letterlijke tekst van de toeslagenmatrix, als dit de leesbaarheid en begrijpelijkheid ten goede kwam. Het afwijken van de letterlijke tekst is vaak ingegeven vanuit die gedachte, omdat de aangepaste tekst beter aansluit bij het pensioenreglement en de logische opzet daarvan. Bij de overgang van de beoordeling van AFM naar DNB, blijkt DNB de letterlijke tekst van de toeslagenmatrix streng te controleren. Dat betekent dat DNB bij iedere afwijking, hoe gering ook, zal aangeven dat de tekst aangepast moet worden.

    Om hieraan tegemoet te komen kan, naast de bestaande tekst, de letterlijke tekst vanuit de toeslagenmatrix worden opgenomen. Hierbij kan dan worden aangegeven dat het de wettelijk voorgeschreven tekst van de voorwaardelijkheidsverklaring betreft.

    Als het om de afwijkingen van de letterlijke tekst van de toeslagenmatrix gaat, geeft DNB aan dat de documenten ‘gelet op de ernst van de bevindingen’ binnen een bepaalde termijn aangepast dienen te zijn. Die kwalificatie is opmerkelijk, als bedacht wordt dat er natuurlijk geen rechter in Nederland zal zijn, die zal oordelen dat vanwege de kleine en goed te beargumenteren afwijking, de toeslag niet meer als voorwaardelijk te beschouwen is (zie ook het bijgevoegde artikel).