Andere tijden

Andere tijden

‘Het bestuur van een pensioenfonds moet ten minste uit vier personen bestaan; dan kan er in elk geval geklaverjast worden.’ Deze uitspraak van oud-minister Gerrit Zalm begin jaren negentig, was uiteraard als grap bedoeld, maar de ondertoon dat voor het besturen van een pensioenfonds niet veel meer nodig was dan het kennen van de regels van dit kaartspel, ontgaat u vast niet. Door Hans Breuker, hoofd Pensioenadvies TKP Pensioen.

Het was de tijd waarin pensioen- en Vut-regelingen ‘goudgerand’ waren, de rendementen van pensioenfondsen alleen maar stegen en minister Lubbers met het plan kwam die rendementen af te romen met het ‘Wetsvoorstel Vermogensoverschotheffing Pensioenfondsen’. Dat voorstel heeft nog jaren op de plank gelegen, maar tot publicatie in het Staatsblad is het -gelukkig- nooit gekomen.

Dat de tijden zijn veranderd, hoef ik u niet uit te leggen. Het karikaturale beeld van een pensioenfondsbestuur dat bestaat uit grijzende heren (in dito pakken), dat eens per kwartaal bijeenkwam, een aantal hamerstukbesluiten nam om vervolgens sigarenrokend en jeneverdrinkend te evalueren, ligt ver achter ons. Sterker; ik heb het nooit meegemaakt en ik werk toch al sinds 1987 in deze wereld.

De Pensioen- en spaarfondsenwet uit 1954 ging uit van de gedachte dat pensioen, net als andere arbeidsvoorwaarden, het domein was van de sociale partners en dat het bestuur van een pensioenfonds daarom paritair moet zijn samengesteld. Dat wil zeggen met vertegenwoordigers van de werkgever en vertegenwoordigers van de werknemers. Later kwamen daar de vertegenwoordigers van de gepensioneerden bij. Dat is nog steeds het uitgangspunt van de opvolger van die wet, de Pensioenwet.

Ook dat gaat veranderen. Het besturen van een pensioenfonds is geen eenvoudige klus en is dat ook nooit geweest. Om de juiste besluiten en afwegingen te maken, om het beleggingsbeleid te doorgronden, om risico’s op een juiste manier in te kunnen schatten en om alle bij het pensioenfonds betrokken belangen op een evenwichtige manier te behartigen, is deskundigheid en geschiktheid nodig. De eisen die daaraan door toezichthouders worden gesteld zijn flink aangescherpt en er is veel aandacht voor Pensionfund Governance, in goed Nederlands, ‘Goed Pensioenfondsbestuur’.

Er staat wetgeving op stapel die de mogelijkheden geeft om een andere bestuursvorm te kiezen dan het tot nu toe gebruikelijke model. De vanzelfsprekende achtergrond daarbij is dat het pensioenfonds niet beperkt moet worden in de mogelijkheden om te komen tot een voor het fonds optimaal passend bestuursmodel.

Er kan gekozen worden uit een bestuur met alleen beroepsbestuurders (het onafhankelijke model); een model met vertegenwoordigers van werkgever, werknemers en pensioengerechtigden aangevuld met beroepsbestuurders (het aangepaste paritaire model); een model met een dagelijks bestuur met beroepsbestuurders en toezichthoudende bestuurders uit de kring van werkgever, werknemers en pensioengerechtigden, of een model waarin beroepsbestuurders toezicht houden op het paritaire bestuur (de gemengde modellen).

Het is terecht dat de wetgever geen voorkeur uitspreekt over het ene of het andere model. Dat is aan het fondsbestuur die daar na overleg met sociale partners over moet besluiten. Dat past in de traditie zoals we die in Nederland kennen. En ook dat besluit vergt deskundigheid en zorgvuldigheid. Goed pensioenfondsbestuur dus.