Aanpassing FTK: Kortetermijnuitdagingen, maar ruimte voor langetermijnfocus

Aanpassing FTK: Kortetermijnuitdagingen, maar ruimte voor langetermijnfocus

Op 25 juni is het langverwachte wetsvoorstel “Wet aanpassing financieel toetsingskader” bij de Tweede Kamer ingediend. Doelstelling van het voorstel is de verbetering van het financieel toetsingskader voor pensioenfondsen. Dit kan - in de woorden van het kabinet - gezien worden als noodzakelijk onderhoud dat geen verder uitstel duldt. Afzonderlijk van dit wetsvoorstel is het kabinet een bredere discussie gestart over de gewenste richting van de tweede pijler pensioenen in de toekomst, waarbij het onder ander gaat om vragen met betrekking tot de verplichtstelling, de positie van zelfstandigen en solidariteitsvraagstukken. Wij schetsen kort de ontstaansgeschiedenis, de beleidsaspecten en geven een overzicht van de voorgestelde wetswijzigingen. Klik hier voor de ‘Toelichting wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader, juni 2014’, met een nadere uitwerking. 

De weg naar het nieuwe FTK

Zoals bekend heeft het wetsvoorstel een zeer lange ontstaansgeschiedenis. Als gevolg van de financiële crisis vanaf het najaar 2008, werd duidelijk dat het Nederlandse pensioenstelsel kwetsbaarheden vertoont. De dekkingsgraden van pensioenfondsen gingen fors onderuit, indexaties konden niet meer worden toegekend en een aantal fondsen zag zich gedwongen over te gaan tot het toepassen van het laatste redmiddel: het korten (afstempelen) van de pensioenen.

In 2009 werden de commissies Frijns en Goudswaard ingesteld. De conclusie van de rapporten van beide commissies was duidelijk: het Nederlandse pensioenstelsel is niet toekomstbestendig en het financieel toetsingskader moet aangepast worden om de goede elementen van het stelsel te kunnen behouden. Het kabinet onderschreef de rapporten. De aanbevelingen van de commissies waren input voor de Stichting van de Arbeid om in juni 2010 te komen met een Pensioenakkoord en een Uitwerkingsmemorandum. Kern daarvan was dat er naast de bestaande nominale pensioencontracten, ook contracten mogelijk zouden moeten worden met een meer voorwaardelijk karakter; contracten dus waarbij aanspraken aangepast konden worden aan veranderingen in de levensverwachting (LAM) en aan beleggingsrendementen (RAM).

Vervolgens stonden de hoofdlijnen van een in te dienen wetsvoorstel over het gewijzigde financieel toetsingskader in een Hoofdlijnennota van mei 2012 vast. Het uitgangspunt daarbij was dat sociale partners zouden kunnen kiezen tussen het nieuwe voorwaardelijke contract (ook reëel contract genoemd) en het bestaande nominale contract. In juli 2012 werd een voorontwerp van de wet (een consultatieversie) op internet openbaar gemaakt, waarop “het pensioenveld” kon reageren. Uit die consultatie kwam vooral de wens naar voren om te komen tot een eenduidig financieel toetsingskader, waarmee ook de juridische risico’s van invaren (het toepassen van de regels van het reële contract op de al opgebouwde aanspraken) zouden verdwijnen. Dat leidde ertoe dat het kabinet in oktober 2013 aankondigde dat er ingezet zou gaan worden op één type contract en dat de keuze tussen twee varianten van contracten daarmee zou komen te vervallen.

Met dit wetsvoorstel kiest het kabinet voor het bestaande (nominale) kader als uitgangspunt, maar de toezichtregels voor het bestaande contract worden bijgesteld. Er is geen sprake van “ïnvaren” omdat ook de bij dit contract behorende bescherming van pensioenen het uitgangspunt blijft.

Impact op beleggingsbeleid

De doelstellingen van een pensioenfonds zijn leidend voor het beleid. Op basis van missie en visie maken de besturen een afweging tussen het belang van enerzijds het uitkeren van nominale pensioenen en anderzijds het nastreven van de indexatieambitie. Met de voorgestelde nieuwe FTK wetgeving ontstaat meer ruimte voor beleggen met een lange termijn focus. Door de invoering van de beleidsdekkingsgraad wordt de invloed van dagelijkse veranderingen op de financiële markten gedempt. Verder krijgen pensioenfondsen de mogelijkheid van het gespreid nemen van kortingsmaatregelen over een periode van tien jaar, waardoor jaarlijkse kortingen kunnen worden gedempt. Dit biedt de ruimte om meer gewicht te geven aan de indexatieambitie. De beleggingsfocus verschuift hierdoor van de afdekking van korte termijn risico’s naar het behalen van lange termijn doelstellingen. Doordat voor het verlenen van toeslag de lat hoger wordt gelegd, zal voor het realiseren van toeslagverlening ook extra rendement moeten worden behaald. Gezien de door SZW nagestreefde datum voor de aanpassingen van het FTK is het raadzaam de effecten op de doelstellingen van het pensioenfonds tijdig te onderzoeken en het gewenste strategisch risico- en rendementsprofiel opnieuw vast te stellen.

Planning en uitdagingen

De beoogde datum van inwerkintreding is 1 januari 2015. Omdat de nieuwe wetgeving onder andere zal leiden tot aanpassing van de ABTN, het pensioenreglement en het financieel crisisplan, heeft de staatssecretaris aangegeven dat pas op 1 juli 2015 hoeft te worden voldaan aan de nieuwe eisen. Hetzelfde geldt voor het beleggingsbeleid en het indexatiebeleid. Zij stelt dat sociale partners en pensioenfondsen hierdoor voldoende voorbereidingstijd krijgen om te voldoen aan de nieuwe wetgeving. Het is natuurlijk de vraag of dat zo is. Een voorbereidingstijd van een jaar – en als we rekenen vanaf de datum waarop de (wellicht – fors – geamendeerde) tekst in het Staatsblad staat is dat uiteraard nog veel minder – stelt de pensioensector in elk geval voor een forse uitdaging.

Voorgestelde wetswijzigingen op een rij

Het wetsvoorstel voorziet in de aanpassing van een aantal artikelen uit de Pensioenwet, meer in het bijzonder van hoofdstuk 6 (Financieel toetsingskader inzake pensioenfondsen) daarvan. Dat hoofdstuk bestaat uit zo’n 25 artikelen en 15 daarvan worden aangepast. Daarnaast zal verdere detailuitwerking plaatsvinden in nog op te stellen lagere regelgeving. De belangrijkste wijzigingsvoorstellen op een rij:

  • Dekkingsgraad 
    Artikel 1 geeft een definitie van dekkingsgraad: de verhouding tussen het vermogen inzake de bij een pensioenfonds ondergebrachte pensioenregeling of pensioenregelingen en de technische voorzieningen van een pensioenfonds. 
    Daarbij wordt het begrip “beleidsdekkingsgraad” geïntroduceerd. De beleidsdekkingsgraad is de gemiddelde dekkingsgraad van de afgelopen 12 maanden. Deze definitie wordt opgenomen in een nieuw artikel 133a en is van belang voor de vraag of er geïndexeerd kan worden, of een herstelplan ingediend moet worden en voor de vraag of waardeoverdrachten moeten worden opgeschort.
  • Kostendekkende premie
    In artikel 128 wordt opgenomen dat de kostendekkende premie gedempt kan worden met een voortschrijdend gemiddelde van de rente of met verwacht rendement.
  • Afstempelen
    Artikel 134 bepaalt dat een pensioenfonds als “ultimum remedium” kan afstempelen als niet binnen een redelijke termijn voldaan wordt aan de eisen ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen óf het vereist eigen vermogen. Als het fonds vijf jaar achtereenvolgend een beleidsdekkingsgraad heeft onder het minimaal vereist eigen vermogen, dan moeten direct maatregelen getroffen worden om de dekkingsgraad weer op dat niveau te brengen (artikel 140). Als het fonds niet binnen de periode van tien jaar op het niveau van het vereist eigen vermogen kan komen, dan kan eveneens de kortingsmaatregel als ultimum remedium worden ingezet. Dit is een verschil met de huidige wetgeving: in het huidige artikel 134 kan alleen gekort worden bij een dekkingsgraad onder het minimaal vereist eigen vermogen.

    Voor afstempelen geldt dat de korting in de tijd gespreid mag worden (de Memorie van Toelichting geeft aan dat: “Een spreiding van deze kortingen in de tijd bijdraagt aan een gelijkmatig verloop van de pensioenen, wat met name prettig is voor de pensioengerechtigden, die deze kortingen immers rechtstreeks in de portemonnee voelen”), maar wel direct in de technische voorzieningen mag worden verwerkt.
  • Toeslagverlening
    Het voorgestelde artikel 137 bepaalt dat het pensioenfonds een beleid moet vaststellen voor voorwaardelijke toeslagverlening en dat geen toeslag wordt verleend bij een beleidsdekkingsgraad onder een bij nadere regelgeving vast te stellen niveau. Dit niveau zal in de praktijk rond een beleidsdekkingsgraad van 110% liggen. De toeslagenmatrix en de daaraan gekoppelde wettelijk voorgeschreven voorwaardelijkheidsverklaringen verdwijnen.
  • Herstelplan
    Waar nu in artikel 138 het Langetermijnherstelplan wordt beschreven en in artikel 149 het Kortetermijnherstelplan, wordt in het voorgestelde artikel 138 het Herstelplan geregeld. Hiermee verdwijnt het onderscheid tussen Korte- en Langetermijnherstelplan. Zodra de beleidsdekkingsgraad onder het vereist eigen vermogen komt te liggen, moet het pensioenfonds een herstelplan indienen, waarin wordt uitgewerkt hoe het binnen een periode van tien jaar weer beschikt over dat vereist eigen vermogen.

    In artikel 139 wordt vervolgens geregeld dat het fonds jaarlijks een geactualiseerd herstelplan indient bij de toezichthouder. Hierbij mag opnieuw worden uitgegaan van een (nieuwe) termijn van tien jaar.

    Artikel 140 bepaalt dat als het pensioenfonds vijf jaar achtereenvolgend een beleidsdekkingsgraad heeft onder het minimaal vereist eigen vermogen, dan moet het fonds binnen zes maanden maatregelen treffen om de dekkingsgraad weer op dat niveau te brengen. Dat kan dus betekenen dat het fonds moet afstempelen.
  • Gevolgen voor de pensioenpremies
    De Memorie van Toelichting vermeldt dat op basis van CPB berekeningen verwacht wordt dat dit wetsvoorstel, samen met de aanpassingen als gevolg van het nieuwe Witteveenkader dat ingaat op 1 januari 2015, zal leiden tot een daling van de pensioenpremies van 11%. Het Witteveenkader zorgt voor een daling van 16% en het wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader zorgt voor een stijging van 5%.