Herstelplan en korten

De huidige lopende korte- of langetermijnherstelplannen vervallen per 1 januari 2015 en worden vervangen door een herstelplan met een duur van (maximaal) 10 jaar. Hier is het overgangsrecht van toepassing; meer informatie hierover wordt in hoofdstuk 14 ‘Overgangsbepalingen en planning’ gegeven. Het onderscheid tussen het korte- en langetermijnherstelplan vervalt eveneens. De periode van herstel van (maximaal) 10 jaar moet elk jaar opnieuw worden bepaald.

De hoofdregel is dat het pensioenfonds steeds binnen een termijn van maximaal 10 jaar het niveau van het vereist eigen vermogen (VEV) moet kunnen halen. Hierbij mag rekening gehouden worden met de autonome herstelkracht (onder andere uit het verwachte rendement). Indien het herstelplan laat zien dat het niveau van het VEV niet bereikt wordt, dan moet het verschil gekort worden. De effectuering van de korting mag dan maximaal over 10 jaar uitgesmeerd worden. Hierbij geldt dat de eerste korting (1/10 van het totale te korten recht) onvoorwaardelijk is en binnen een jaar ook daadwerkelijk toegekend moet worden aan deelnemers.

Zoals gezegd geldt dat elk jaar opnieuw een termijn van 10 jaar geldt om naar het niveau van het VEV te mogen groeien. Dit betekent dat elk jaar opnieuw wordt vastgesteld of er sprake is van een tekort. Indien er sprake is van een tekort, mag het tekort hernieuwd over een periode van 10 jaar worden uitgesmeerd en geldt dat alleen de eerste korting weer onvoorwaardelijk binnen het jaar wordt toegekend. Hierdoor worden tekorten meer naar de toekomst verschoven, wat in het voordeel is van de huidige gepensioneerden.

Er geldt wel een zogenaamde “floorregel”. Indien de beleidsdekkingsgraad gedurende vijf jaren onder het minimum vereist eigen vermogen (MVEV) blijft in realisatie, dient het verschil tot het MVEV als onvoorwaardelijke korting toegekend te worden. Echter op het moment van vaststelling is de feitelijke dekkingsgraad ook van belang. Indien op dat moment de feitelijke dekkingsgraad boven het MVEV ligt is een onvoorwaardelijke korting niet nodig. Daarnaast kan het bestuur ervoor kiezen om deze eventuele onvoorwaardelijke korting over maximaal 10 jaar uit te smeren.

Samenvattend gelden de volgende regels:

  • Het herstelplan dient binnen drie maanden te worden ingediend bij DNB (gerekend vanaf het moment in tekort);
  • Of een pensioenfonds in herstel zit, wordt gebaseerd op de beleidsdekkingsgraad en bepaald op kwartaaleinden;
  • Een (eventuele) eerste korting dient onvoorwaardelijk binnen het jaar te worden toegekend. Dit betekent dat, in tegenstelling tot het oude herstelplan, een eventueel herstel van de beleidsdekkingsgraad binnen het jaar, de aan het begin van het jaar vastgestelde eerste korting niet meer kan voorkomen;
  • De korting en het toegroeien naar het VEV wordt vastgesteld met behulp van het voorgeschreven deterministisch herstelsjabloon, waarbij de hoogtes van de maximaal te hanteren rendementen zijn gebaseerd op de maximale hoogte van de parameters conform Commissie Parameters. Het startpunt voor het opstellen van het herstelsjabloon is de maandelijkse dekkingsgraad op het kwartaal einde en niet de beleidsdekkingsgraad;
  • Ieder jaar bij evaluatie geldt weer een nieuwe herstelperiode en wordt de nog eerder niet verwerkte korting “vergeten” en opnieuw vastgesteld;
  • Indien het pensioenfonds daadwerkelijk gedurende vijf jaar lang met haar beleidsdekkingsgraad onder het MVEV zit en op dat moment is ook de feitelijke dekkingsgraad onder het MVEV, dan dient het verschil onvoorwaardelijk toegekend te worden. Het pensioenfondsbestuur mag er wel voor kiezen om de effectuering van de korting uit te smeren over maximaal 10 jaar.

Onduidelijkheid:

Nog onduidelijk is hoe precies het herstelsjabloon op basis van de beleidsdekkingsgraad moet worden ingevuld. Dit zal op basis van lagere regelgeving en Q&A’s van DNB verder verduidelijkt dienen te worden.