Haalbaarheidstoets

De haalbaarheidstoets wordt ingevoerd ter vervanging van de huidige continuïteitsanalyse en de consistentietoets. Voor pensioenfondsen wordt de haalbaarheidstoets een belangrijk instrument met als doel:

  • Inzicht te geven in de effecten van de financiële opzet en zelf gekozen normering (ondergrenzen);
  • Onderbouwing evenwichtig beleid en realistisch en haalbaar premiebeleid;
  • Grondslag voor communicatie op individuele basis naar de deelnemer (en dan met name over de wijze of het pensioenfonds in staat is om koopkrachtbehoud te realiseren).

Kernbegrippen binnen de haalbaarheidstoets zijn koopkrachtbehoud en pensioenresultaat.

De haalbaarheidstoets kent niet, zoals de huidige consistentietoets, eisen waaraan de financiële opzet moet voldoen. Het pensioenfondsbestuur dient zelf een zogenaamde “floorregel” in te voeren. Dit is een door het pensioenfonds zelf gekozen ondergrens waaraan de toeslagverlening, uitgedrukt in pensioenresultaten in slechtweerscenario’s, minimaal moet voldoen. Indien bij realisaties deze zelf gekozen floorregel niet meer geldt, dan dient de ambitie te worden aangepast of de ondergrens te worden aangepast. Afhankelijk van de afspraken dient de nieuwe hoogte van de ambitie en/of de nieuw te bepalen ondergrens voorgelegd te worden aan de sociale partners of door het pensioenfondsbestuur opnieuw te worden vastgesteld.

De haalbaarheidstoets kent een prognoseperiode van 60 jaar en dient stochastisch op basis van een uniforme scenarioset, die door DNB beschikbaar wordt gesteld, te worden uitgevoerd. Bij de haalbaarheidstoets wordt voor elke geboortejaargroep (op rapportagedatum van 01/01 de bestaande groep personen met hetzelfde geboortejaar) het pensioenresultaat voor elk scenario uit de scenarioset berekend.

Het pensioenresultaat op pensioenfondsniveau is voor elk scenario gelijk aan het gewogen gemiddelde van de pensioenresultaten van de geboortejaargroepen. Er wordt gewogen naar het aantal personen in een geboortejaargroep. Van belang zijn de uitkomsten van de mediaan (50e percentiel) en het slechtweerscenario, te weten het 5e percentiel.

Het pensioenfondsbestuur dient het pensioenresultaat vanuit twee startdekkingsgraden te berekenen, te weten vanuit het VEV en vanuit de feitelijke financiële positie van het rapportagemoment. De norm die vervolgens geldt, is dat vanuit het VEV het verschil in procentpunten tussen het verwacht pensioenresultaat op pensioenfondsniveau en het door het pensioenfonds gekozen ondergrens niet kleiner mag zijn dan het verschil in procentpunten tussen het verwacht pensioenresultaat op pensioenfondsniveau vanuit de feitelijke financiële positie en het door het pensioenfonds gekozen ondergrens.

Het pensioenresultaat wordt vastgesteld per scenario als percentage van het quotiënt met in de teller de som van de verwachte uitkeringen ouderdomspensioen (OP) en nabestaandenpensioen (NP) en in de noemer de som van de verwachte uitkeringen OP en NP zonder toepassing van vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten en met toepassing van de jaarlijkse toeslagverlening ter hoogte van de scenarioprijsinflatie.

Samenvattend zijn er drie ondergrenzen:

  • Een ondergrens bij verwacht pensioenresultaat op pensioenfondsniveau met als uitgangspositie dat wordt voldaan aan het VEV;
  • Een ondergrens bij verwacht pensioenresultaat op pensioenfondsniveau met als uitgangspositie dat wordt voldaan aan de feitelijke financiële positie van het pensioenfonds;
  • Een maximale afwijking van het pensioenresultaat op pensioenfondsniveau in een slechtweerscenario met als uitgangspunt de feitelijke financiële positie van het pensioenfonds.

Jaarlijks dient de haalbaarheidstoets te worden uitgevoerd en voor 1 juli te worden ingeleverd. Ook hier gelden overgangsbepalingen die in hoofdstuk 14 ‘Overgangsbepalingen en planning’ verder worden uiteengezet.

Onduidelijkheid:

Vanwege de gestandaardiseerde scenarioset geldt dat het pensioenfonds voor de berekening haar beleggingsportefeuille om moet zetten naar slechts aandelen en een vastrentende portefeuille. Hiervoor dient een zogenaamde mappingsmethode gehanteerd te worden. Het is onduidelijk hoe niet lineaire beleggingsproducten als swaptions en put/cal-opties omgezet moeten worden. Dit zal door Q&A’s en lagere regelgeving uitgewerkt moeten worden.Daarnaast is ook de gestandaardiseerde scenarioset nog niet door DNB gepubliceerd. DNB heeft aangegeven dat deze set begin april 2015 wordt gepubliceerd. De haalbaarheidstoets zal derhalve niet eerder dan in Q2-2015 kunnen worden uitgevoerd.